geselecteerd als gefixeerd bericht

Romans door Ina Schroders-Zeeders
Roman 1 Trammelant op Rottummerzand copyright 1996 Ina Schroders-Zeeders
Roman 2 De Vergeten Farao copyright 1996 Ina Schroders-Zeeders

15 November 2006
By on 00:18
Trammelant op Rottummerzand

Trammelant op Rottumerzand

Rottumerzand, november 1995

Het was een regenachtige herfstavond. In de verte onweerde het al een poosje onheilspellend, maar de bui kwam niet dichterbij.
Het kleine havenplaatsje, het enige dorpje op het eiland Rottumerzand met slechts een twintigtal huizen, lag er verlaten en somber bij. De toeristen waren weer vertrokken. Behalve in het kleine hotel annex café was er nog maar weinig vertier in het dorp. Vanachter de beslagen ruiten scheen onverwacht fel licht.
De laatste veerboot vanaf het vaste land liep de haven binnen. Het geblaas van de stoomfluit klonk naargeestig over het water.
Een paar oude mannen die waarschijnlijk bij elke aankomende boot kwamen kijken, stonden, kleumend en huiverend, diep weggedoken in hun warme jassen, voor het hotel te schuilen. Ze keken naar de man in politie-uniform die zich zojuist van hun groepje had losgemaakt. Hoofdagent Jan de Vries wilde zeker een wat afstandelijke
indruk wekken.
Vanachter een van de ramen van het hotel was vaag een hand zichtbaar die de beslagen ruit probeerde schoon te maken.
De passagiers liepen van boord. Het waren er slechts drie, twee oudere vrouwen met grote boodschappentassen en een lange man in een trenchcoat met een hoed op.
Hoofdagent Jan de Vries liep op de man af. Hij stak resoluut zijn hand uit en schudde die van de ander met kracht.
“De Vries. Zal ik uw koffer aannemen?”
“De Groot. Graag ja. Kunnen we misschien eerst even ergens schuilen, het restaurant aan boord was gesloten en ik heb nog niets gegeten. Wat dacht je van dat hotel?” Hij keek verlangend naar een verlicht raam in de nabijheid van de kade.
“Dat is hotel De Swaen, inspecteur. Het is het enige hotel hier. U logeert er ook.”
“Dat is mooi vlak bij,” zei De Groot opgewekt.
De twee mannen liepen op een sukkeldrafje door de regen naar het hotel, waar net iemand, diep weggedoken in zijn capuchon, naar buiten kwam om meteen in het donker te verdwijnen.
Binnen was het warm en rokerig. Hoewel het cafégedeelte vol zat, was het muisstil. Iedereen staarde de mannen aan. Vincent de Groot voelde zich zeer onbehagelijk. Alle ogen priemden in zijn rug toen hij aan de bar zijn sleutel kwam halen.
De hoteleigenaar, een norse man met een morsig schort voor, knikte dat hij zijn gang kon gaan. Jan de Vries volgde de inspecteur naar zijn kamer. Achter zijn rug hoorde hij druk gefluister, blijkbaar wist iedereen in het gezelschap wel iets over de reden van zijn komst te vertellen.
Boven gekomen plofte De Groot op het bed.
“Wat zijn dat voor vreemde gasten? Ze keken me aan alsof ik een geest was of zo. En ze hadden geloof ik allemaal zo`n draagbaar computertje voor zich, zo`n laptop?”
De Vries knikte.
“De computercursus. Deze winter volgen alle middenstanders van het eiland, behalve Hannes, deze computercursus. Nu ik er over nadenk, het slachtoffer was ook een van de cursisten.”
“Aha, het slachtoffer. Wat weet je zoal van hem?” De Groot gooide zijn koffer op het bed en trok een stoel naar zich toe.
“En je mag best indiscreet zijn, De Vries.”
In het café ging men intussen aarzelend verder met de computercursus. De cursusleidster, een dikke vrouw van in de veertig, probeerde de aandacht van de cursisten terug te krijgen, maar het gefluister nam alleen maar toe en uiteindelijk gaf ze het op. Ze sloot haar laptop en wenste iedereen het beste. Niemand luisterde op dat moment nog naar haar. Ze ruimde haar spullen op en hees zich op een barkruk.
“Doe mij maar een lekker wit wijntje, Hannes,” riep ze naar de hoteleigenaar.
“Vroeg klaar vanavond?” mompelde Hannes.
“Ze letten toch niet meer op. Die moord heeft ze helemaal in de ban. Er gebeurt hier zeker nooit zoiets, hè?”
Er viel een stilte in de gelagkamer.
“Nee, nog nooit gebeurd, een moord. Nou is er eerlijk gezegd niet veel aan Bertus Buylenstein verloren gegaan, hoor. Een vreselijke bullebak. Zijn vrouw is maar beter af zonder hem. Kinderen hadden ze niet. Misschien kan ze nu nog wat van haar leven gaan maken.”
Het gemompel en geroezemoes ging weer door.
De cursusleidster nam nog maar een wijntje.
“Een bullebak, dat was ie,” herhaalde de hoteleigenaar.
Op de kamer deed hoofdagent De Vries intussen zijn uniformjas uit. Hij had waarschijnlijk spijt dat hij geen overjas aan had getrokken, nu was hij doorweekt.
“Hier, hang maar over die stoel. Een bullebak, zei je. Hoezo?”
“Nou ja, altijd schelden, meteen ruzie. Slechte dronk over zich. Schopte hondjes. Op de dag dat hij gedoopt zou worden, werd de kerk door de bliksem getroffen en brandde volledig af. De dominee stierf een week later. Een opvolger werd niet gevonden en de kerk is nooit meer opgebouwd. Dat zal allemaal geen toeval geweest zijn. Zo gaan die dingen niet.”
“Waarom is zijn vrouw ooit met hem getrouwd? Was hij erg rijk, mooi, ik noem maar wat.”
“Arm als de neten en zo lelijk als de nacht. Ik weet het ook niet, want zij mag er best wezen. Nog steeds wel. Het zal wel liefde geweest zijn…” De Vries frommelde nerveus aan zijn uniformpet.
“Zullen we beneden een hapje eten? Kunnen we meteen zien hoe de cursisten het doen,” stelde De Groot voor.
De Vries zuchtte. Hij voelde de warme aardappelen bij wijze van spreken nog in zijn maag zitten, zijn vrouw had die avond laat gekookt en het idee om voor de gezelligheid nog een maaltijd te moeten verstouwen lokte hem niet erg.
“Een klein hapje dan maar, inspecteur.”
In het café gedeelte van het hotel zaten de meeste cursisten van de computercursus nu aan de bar. Ze mompelden somber tegen elkaar en knikten af en toe bevestigend met gesloten ogen. De Groot merkte meteen dat de sfeer ontzettend geladen was, er hing iets in de lucht dat ongetwijfeld met de moord op Bertus Buylenstein te maken had. Maar het was iets ondefinieerbaars, iets intuïtiefs, iets waar hij nu het fijne nog niet van moest proberen te begrijpen. Alleen maar goed opletten en informatie indrinken.
Het hotel was duidelijk al eeuwenoud. De balken van het lage plafond waren van zwaar en solide eikenhout. Boven de grote schouw waar het haardvuur brandde, hing een vergeelde prent, een panorama gezicht op het dorp van Rottumerzand, van de zee af gezien. De Groot bestudeerde de tekening aandachtig. Vooral een bepaald dominerend gebouw trok zijn belangstelling. Het was een soort kasteel.
Hij bestelde een bord hutspot bij Hannes en De Vries vroeg om een gehaktbal. Ze namen alvast een biertje aan de bar.
De Groot zat naast een jonge man met sluik blond haar die nog wat in zijn cursusboek zat te bladeren.
“Wil de cursus wat lukken?” vroeg De Groot.
De jongeman schrok op en klapte zijn boek nerveus dicht.
“Meneer de Commissaris,” stamelde hij. De Groot grijnsde.
“Nog niet, nog niet. Dan moet ik toch eerst promotie maken. Ik ben inspecteur De Groot. Ik ben hier op het eiland vanwege de moord op meneer Buylenstein, maar dat zal iedereen hier wel weten.”
“Ja, ja, natuurlijk meneer de inspecteur. Een vreselijke zaak. Weet u al wie het gedaan heeft?”
“Nee, ik ben hier nog maar net, hè, dus dat zou wel heel snel zijn.”
“Mijn naam is Piet Pul,” zei de jongeman en stak onverwachts zijn hand uit. “Ik heb hier een videotheek geopend, vlak voor het seizoen begon. Als u zich verveelt op uw hotelkamer kan ik u zo een moviebox bezorgen en dan kunt u alle films zien die u wilt, ik heb een ruime keuze. Ik verhuur ook draagbare telefoons en…”
“De inspecteur komt hier niet om zich te gaan vervelen, Pul,” bitste De Vries. “We hebben veel werk te doen. Dat zul je begrijpen. Zoek je klandizie maar ergens anders.”
Piet Pul werd knalrood, stond haastig op en verliet het hotel. De Groot liet niet merken hoe merkwaardig hij deze gebeurtenis vond.
“Meneer Pul heeft zijn cursusboek vergeten, De Vries. Zullen we het hem even nabrengen?” vroeg hij.
“Met alle respect, inspecteur, maar het eten is zo klaar. Hij zal er zelf wel om komen.”
De cursusleidster nam haar zoveelste glas wijn in ontvangst.
Ze was duidelijk aangeschoten en tikte De Groot op zijn schouder.
“Van de politie, zeker hè? Ik hoorde iets over een inspecteur die hier naar het eiland zou komen. Weet u al iets over die moord?”
“Niet veel meer dan uzelf, denk ik. Bertus Buylenstein werd gisteravond dood aangetroffen in zijn schuurtje, met een groot mes in zijn rug. Dat is alles.”
“Da’s niet veel. Ik heet trouwens Eva Zorgstra. Aangenaam.”
Ze drukte de hand van de inspecteur en keek hem onvast aan.
“Vreselijke mensen hier, vindt u ook niet? Zo bot en onbeleefd,” fluisterde ze hem vertrouwelijk toe. “Ik ben blij dat ik nou eens een normaal mens tegenkom. Gelukkig mag ik morgen weer naar huis. Met de eerste boot.” Ze hief haar glas. “Misschien is het wel een seriemoordenaar. Wat is uw profes… professio… nou ja, uw mening als politieman? Hips.”
“Tja, je weet maar nooit. Logeert u vannacht ook in dit hotel?”
“Jazeker. Kamer 2. Eerste deur rechts. Als u nog een eh, afzakkertje of zo wilt?” Ze knipperde met haar ogen, tot haar dik met mascara aangezette wimpers aan elkaar bleven plakken.
“Heel aardig van u, maar ik moet nog eten,” zei De Groot beleefd.
“Die hutspot? Niet te vreten. Volgens mij probeert Hannes iedereen te vergiftigen. Maar wat ik vragen wilde, waarom zat u niet eerder op de boot? Die Buylenstein is gisteravond toch al gevonden? En waarom bent u alleen? Meestal komen types als u toch met zijn tweeën aanzetten bij een moord? En waar is de technische recherche? Voor de foto’s en de vingerafdrukken?”
De Groot trok zijn schouders op.
“Mijn collega is om te beginnen ziek. De technische recherche was te druk met een andere moordzaak in Winschoten. ‘t Is een beetje stuntelig, maar morgen komt de rest met de eerste boot. Het moest allemaal zo snel. Wij kregen vanochtend pas de melding.”
“De melding,” mijmerde Eva. “Dat is zeker politiejargon hè? O, uw hutspot wordt opgediend zie ik. Tot straks misschien?” Ze gaf hem een knipoog en dronk haar glas leeg.
De Vries en De Groot gingen aan tafel.
“Wie zou er een motief voor de moord kunnen hebben, De Vries? Heb je al wat vermoedens? Zijn vrouw, bijvoorbeeld?”
De Vries schudde zijn hoofd.
“Het was waarschijnlijk een roofmoord, inspecteur. Het slachtoffer droeg een horloge en dat is verdwenen. Het mes is met veel kracht in het lichaam gestoken, het heeft het weefsel enorme schade toegebracht, overal lag bloed en…”
“Ja, ho maar, ik zit te eten, weet je. Ik stel voor dat we zo dadelijk het lijk eens gaan bekijken.”
De Vries schrok.
“Maar…het is al zo laat. De technische recherche komt toch pas morgenochtend?”
“Intussen kunnen we al wat onderzoek verrichten, nietwaar. Als het goed is heb je foto’s gemaakt?”
De Vries knikte afwezig.
“Jamaar, hoe moeten ze nou de exacte tijd van overlijden bepalen?”
De Groot zuchtte.
“Dat is hun probleem. Trouwens, die weten we toch al? Hij ging om tien uur even de schuur in, volgens zijn vrouw en ook volgens de buurvrouw die hem zag. Heb je me zelf verteld, De Vries. En om elf uur vond zijn vrouw hem dus dood. Dus tussen tien en elf. Niet te vreten die hutspot. Hoe smaakt die gehaktbal? Kan je hem niet op of zo?”
De Groot wisselde snel hun borden om. De Vries keek in het nog volle bord met hutspot.
“Zullen we dan maar gaan, inspecteur? Naar meneer Buylenstein, bedoel ik? O, enne, de foto’s, ja, die eh, die zijn nog niet klaar. Ze liggen nog bij Piet Pul. Hij is ook fotograaf.”

De regen kletterde nog even hardnekkig en de donder kwam nu eindelijk wat dichterbij. Af en toe flitste het weerlicht.
“Wáár hebben jullie meneer Buylenstein naar toe gebracht?” vroeg De Groot verbaasd terwijl hij zijn hoed vasthield. Een fel weerlicht verlichtte het uitgestorven dorp.
“In het knekelhuisje bij de begraafplaats. Dat doen we hier altijd met de overledenen. Er is een koelinstallatie.”
De Groot schudde zijn hoofd. Een knekelhuisje. Was het hier ook bijna het jaar 2000 of leefden ze nog in de vorige eeuw?
“Met mes en al?” gruwde hij. De Vries knikte nerveus.
De begraafplaats lag tegen de duinen aan. De vuurtoren scheen af en toe met felle stralen over de graven, dan werd het weer donker tot een bliksemflits het overnam. De grafstenen stonden hier en daar schots en scheef, de begraafplaats was klaarblijkelijk al honderden jaren oud.
De Groot rilde even in zijn trenchcoat. De Vries ging hem voor naar een klein gebouwtje bij de ingang van de begraafplaats. Hij duwde de deur, die niet afgesloten was, open. Blijkbaar ging men er hier van uit dat een lijk niet gestolen werd.
Bertus Buylenstein lag op zijn buik, dat was het eerste wat De Groot zag toen De Vries het licht had aangeklikt. Het mes zat nog steeds in zijn rug. Het was een vreselijk tafereel.
“Ik wil wel dat de deur op slot gaat straks. Stel je voor dat er per ongeluk een kind naar binnen komt lopen.” zei De Groot terwijl hij het lichaam aandachtig bekeek.
“De kinderen van dit eiland weten wel beter dan op het kerkhof rond te neuzen,” gromde De Vries. “Trouwens, alle kinderen zijn door de week aan de wal vanwege school.”
Het donderde en bliksemde voortdurend. De Groot staarde minutenlang naar het gezicht van Bertus, voor zover hij het kon zien. Een oude, inderdaad lelijke man met dun, blond haar dat slap langs zijn schouders hing.
De Groot keek ernstig en tuurde vervolgens naar buiten. Hij zag twee vrouwen snel de bosjes invluchten. De Vries had blijkbaar niets opgemerkt en De Groot deed alsof zijn neus bloedde. Toen de politiemannen even later het knekelhuisje verlieten, deed De Groot alsof zijn schoenveter los was geraakt. Hij liep zonder De Vries terug naar het huisje en keek door het raampje naar binnen. Hij zag hoe de twee vrouwen die hij eerder gezien had, het mes uit de rug van Bertus trokken.
“Inspecteur!” De Vries kwam hem achterna.
“Ik kom, ik kom.” De Groot wist zelf ook niet waarom hij niets zei over de twee vrouwen. Zwijgend liepen ze in de richting van de haven.
Het was al na enen voor De Groot en De Vries terug waren bij Hotel De Swaen. Er waren nu bijna geen gasten meer in het café, alleen Eva hing nog aan de bar. Ze zag er niet noemenswaardig meer dronken uit dan eerder op de avond, en ze wenkte de twee mannen om bij haar te komen zitten. De Vries keek naar De Groot, die zijn schouders ophaalde.
“Waarom niet, heb jij iets beters te doen, De Vries?” Ja, slapen, dacht deze maar hij schudde dapper zijn hoofd.
Eva riep dat Hannes ze wat in moest schenken voor ze de mannen bestormde met een groot aantal vragen. Waar ze geweest waren, wat er nou ging gebeuren. Maar De Groot gaf geen antwoord. Hij trok zijn notitieboekje tevoorschijn en een pen.
“Mevrouw Zorgstra, mag ik u iets vragen?”
Eva Zorgstra veerde overeind en schikte haar haar.
“Natuurlijk, commissaris, ik bedoel inspecteur. Wat wilt u weten? Wat heeft u trouwens een vreselijk ouderwetse “notebook”, van papier bedoel ik. Kent u die kleine computertjes dan niet? Dat is veel handiger, hoor.”
“Ik weet niets van computers. Maar misschien kom ik u nog weleens wat vragen over die dingen. Nu wil ik alleen graag iets anders van u weten. Heeft u hier op het eiland iets vreemds opgemerkt, iets waarvan u dacht: dit klopt niet volgens mij?”
“Dit hele eiland klopt niet volgens mij. Ze zijn hier echt minstens honderd jaar achter. Wist u dat er hier maar achtenzeventig mensen woonden? Ik bedoel zevenenzeventig, sinds gisteravond. Volgens mij is het allemaal inteelt. Is het u ook al opgevallen hoe de mensen hier allemaal op elkaar lijken? Het is hier echt wel even wat anders dan Terschelling, hoor, om maar eens wat te noemen. Bent u daar wel eens geweest, op Terschelling? Daar heb je tenminste aardige mensen, leuke kroegen, mooie natuur…”
“Ja, ik kom er geregeld mag ik wel zeggen. Maar Rottumerzand zal toch ook wel iets bijzonders hebben? Iets unieks?”
Eva leunde vertrouwelijk naar hem over. Ze wachtte even om de spanning op te voeren en toen zei ze: “Nee! Helemaal niets! Het is hier droefenis alom. Slechts één hotel, met in totaal zestig krakkemikkige stinkbedden. Delete, zeg ik u, delete met die hap.”
“Delete?” vroeg De Groot.
“Delete. Verwijder. En dat is nou computerjargon.”
Ze grijnsde en hief haar glas.
“Op Terschelling!”
De Vries keek nadrukkelijk op zijn horloge.
“Ga maar naar huis, De Vries, ik verwacht je morgenochtend om zeven uur.”
“Lekker vroeg,” mompelde De Vries. Hij verliet het hotel en constateerde dat het weer wat was verbeterd. Het was droog. Maar De Vries werd er niet vrolijker van.
“Die De Groot belooft niet veel goeds…” mompelde hij.
De volgend eochtend deed De vries een merkwaardige ontdekking voor hij naar het hotel ging. Hij ging bij het knekelhuisje langs en nam ene kijkje bij Bertus. Het mes was weg! Het mes dat de vorige avond nog in de rug van Buylenstein had gezeten, was uit het lijk gehaald! Hij hasstte zich naa rhuis, vertelde zijn vrouw wat hij gezien had, en alarmeerde De Groot vervolgens, die hem zuchtend aankeek.
“Goh,” zei De Groot in een poging verbaasd te klinken. Hij at zijn ontbijt rustig verder. “Wie zou dat gedaan hebben?”
“Geen idee!”
De Groot schoof zijn bordje aan kant.
“Kom op, we hebben een hoop te doen, De Vries. Ik wil iedereen ondervragen.”
“Iedereen, meneer?”
“Iedereen!”
Halverwege de ochtend besloot De groot dat hij de schipper van de veerboot wilde spreken. Aangezien de boot nog niet terug was, gaf Hannes hem het mobiele telefoonnummer van de schipper. Die had al vernomen dat het mes weg was.
“Volgens mij zat de moordenaar op de eerste boot vanochtend!” zei hij stellig. “We hadden maar één passagier, namelijk, en dat was een onbekende man.”
“Dat moet hem geweest zijn,” zei De Groot opgewekt. Hij geloofde er niets van.

Het huis van Buylenstein ademde een bedompte sfeer. Er stonden pompeuze meubelen en de gordijnen waren zwaar en donker. Maar de keuken waar mevrouw Buylenstein haar bezoek naar toe bracht, was zonnig en met vrolijke kleuren ingericht. Dit vertrek was duidelijk haar domein.
“Mevrouw Buylenstein, gecondoleerd met het overlijden van uw echtgenoot,” zei De Groot, die zijn hoed had afgenomen.
“Dankuwel, meneer. Wilt u koffie?”
“Alstublieft. Zwart graag. Kunt u me in uw eigen woorden vertellen wat er precies die avond is gebeurd?”
Mevrouw Buylenstein ging er recht voor zitten. Ze keek even naar De Vries, die rustig in zijn koffie roerde.
“Om een uur of tien wilde mijn man nog even in de schuur kijken hoe het met de fretten ging, ze waren ziek, twee zijn er trouwens overleden die avond.”
“Uw man hield er fretten op na?”
“Ja, jagen was zijn hobby. Overdag de winkel en het postagentschap en `s nachts jagen. Bertus wilde even kijken of het niet wat beter met de fretten ging. Hij kwam maar niet terug en om elf uur ben ik maar eens poolshoogte gaan nemen. Ik vond hem dood op de vloer, met een mes in zijn rug. Ik heb onmiddellijk Jan opgebeld, De Vries, bedoel ik, en die kwam meteen ter plekke. Hij constateerde dat mijn man was overleden. Zijn horloge was ook verdwenen, daarom denken we aan een roofmoord.”
De Vries kuchte.
“Dat leek mij in eerste instantie aannemelijk,” zei hij toonloos.
“Niet gek geconcludeerd, De Vries,” vond De Groot.
“Dus uw man had een winkel en een postagentschap?”
“Ja, het is een van de twee winkels hier op het eiland, naast de zaak van Piet Pul. Ik denk wel dat ik er mee verder zal gaan. Wilt u nog koffie? Koekje erbij?”
“Had uw man vijanden?” vroeg De Groot met zijn gezicht opeens vlak bij het hare. Ze schrok.
“Vijanden? Hoe bedoelt u? Denkt u dat iemand hem heeft vermoord vanwege een ruzie of zo? Ik zou niet weten wie. Nee, het was duidelijk een roofmoord. Zeker weten.” Ze werd onverwacht fel.
“U bent wel erg zeker van uw zaak, mevrouw Buylenstein. Toch heb ik het vermoeden dat het hier níét om een beroving gaat. Denkt u eens goed na. Was er echt niemand die een enorme hekel aan hem had?”
“Bertus was niet altijd even beminnelijk, misschien, maar om hem nou te vermoorden, nee, ik zou niet weten wie.” Ze plukte nerveus aan haar jurk en de hand waarmee ze in haar koffie roerde, trilde. Af en toe blikte ze even naar De Vries, die echter strak voor zich uit keek.
De Groot besloot de arme vrouw niet langer lastig te vallen. Ze namen afscheid en liepen naar buiten.
Het weer was intussen verslechterd, het waaide nog harder en het was gaan regenen.
“Waarheen nu?” vroeg De Vries.
“Ach, ik weet niet. Zullen we bij jou thuis even een boterhammetje nemen?”
“Prima, chef. Deze kant uit.” Het huis van De Vries lag maar een paar passen van dat van Bertus. Het had vriendelijke gordijntjes en wat popperige meubeltjes.
“Mia!” riep De Vries. “Kunnen we even wat eten?”
Een vrouw met een schort voor kwam de trap af gesneld. Nu zag hij weer de bekende Rottumerzandse gelaatstrekken in haar gezicht. Jan en Mia waren op zijn minst neef en nicht.
Even later zaten ze aan de keukentafel met een stapel sandwiches en een pot koffie. Mia had zich na het smeren bij hen gevoegd. Ze tuurde bedeesd naar haar handen.
“Zo, een boterhammetje zal er wel in gaan. Lekker, mevrouw De Vries. Of mag ik Mia zeggen?” De Groot had haar herkend en vroeg zich af wat ze gisteren in de buurt van het knekelhuisje te zoeken had, maar besloot daar voorlopig over te zwijgen.
“Ja, natuurlijk, inspecteur.” Ze aarzelde even.
“Ik heb gehoord dat de moordenaar vannacht het mes heeft gestolen,” zei ze, terwijl ze wat zweet van haar voorhoofd veegde.
“Van wie heeft u dat gehoord? Ach, van uw man natuurlijk. Wat stom van me. Ja, dat schijnt zo, hè. En de schipper, die we vanochtend gebeld hebben voor een ondervraging, wist het ook al . Hij zei dat hij de moordenaar als enige passagier aan boord had, vanmorgen. De vogel was net gevlogen. Dat die boot uit kan, zeg. Er zit bijna nooit iemand op.”
“In de zomer komen er wel wat toeristen. En die betalen natuurlijk wel vier keer zoveel als wij. Verder krijgen we wat subsidie van Den Haag en de Gemeente Delfzijl, waar we tegenwoordig onder vallen. Zo houden we die bootdienst net draaiende,” zei De Vries.
“We. Je zei :”We”. Jullie vormen een hechte club, hier op Rottumerzand, geloof ik. Eén grote familie, lijkt het wel.”
“Ach, ja, we zijn ook allemaal familie van elkaar, hier,” zei Mia. “Er wordt wel veel getrouwd met iemand van de wal, maar die kunnen hier vaak niet aarden en dan vertrekt zo`n familie weer. Wat je dan overhoudt, is dus allemaal wel op de een of de andere manier verwant aan elkaar. Jan en ik zijn neef en nicht. Annette is ook weer een nicht van me. Maar het ligt natuurlijk heel anders met haar broer Piet…”
“Nog koffie, inspecteur?” onderbrak De Vries zijn vrouw haastig. Het ontging De Groot niet dat hij haar een vernietigende blik toezond.
“Graag nog een kopje, De Vries. Piet wie?” vroeg hij quasi argeloos. Mia keek wanhopig naar haar echtgenoot.
“Dat ligt een beetje, hoe zal ik het zeggen, gevoelig, inspecteur. Sommige dingen kunnen maar beter niet aan vreemden worden verteld,” zei De Vries.
“Piet Pul, bedoel je die Piet, misschien?” ging De Groot onverstoorbaar verder.
“Nou, goed dan. Maar belooft u dat dit onder ons blijft?”
“Ik beloof niets.” De Groot glimlachte sluw.
De Vries kreeg het zichtbaar benauwd.
“Piet Pul is de zoon van Bertus. Het hele dorp weet ervan, behalve Piet Pul zelf. En dat wilden we graag zo houden, voor die jongen zijn eigen bestwil,” vertelde De Vries.
“Aha, een onecht kind!” zei De Groot geïnteresseerd.
“Nee, geen onecht kind. Elsa, de vrouw van Bertus Buylenstein, ontdekte een paar maanden na hun huwelijk dat ze zwanger was. Bertus was alweer vertrokken naar zee, hij bleef meestal zo`n maand of acht weg. In die tijd was dat heel gewoon. Hij voer toen als stuurman op de wilde vaart. Enfin, Elsa zag dat helemaal niet zitten, een kind van Bertus. Ze was alleen met hem getrouwd om…. Nou ja, dat doet er even niet toe. Maar samen met dokter Paulusma heeft ze toen een plan bedacht waardoor Bertus nooit van een zoon of dochter zou horen. Ze ruilde eenvoudig van identiteit met de dochter van de dokter die getrouwd was met Andries Pul en nog geen kinderen had. Ze is in het ziekenhuis in Groningen onder háár naam bevallen en er kraaide verder geen haan naar. Toen Bertus thuis kwam, zei niemand iets tegen hem, zo`n hekel hadden ze wel aan hem, en dat terwijl eigenlijk iedereen het wel wist. Je kunt een zwangerschap moeilijk verborgen houden in zo`n kleine gemeenschap. Afijn, Piet groeide op bij Andries Pul en Anna. Ze kregen later nog een dochter, Annette dus.”
“Mijn hemel. En Bertus had niets in de gaten. Heeft hij het ooit geweten? Dat hij een zoon had?”
“Nooit. Elsa zocht Piet wel elke dag op, en nu nog zijn ze erg groots met elkaar, maar Bertus viel dat allemaal niet op. Hij lette er niet op. De fretten waren zijn lust en zijn leven. Voor de rest kon niemand hem wat schelen.”
De Groot zuchtte. Wat een vreemd eiland, dacht hij voor de zoveelste keer. Hoe bestond het dat ze dat voor Piet en zijn vader geheim hadden weten te houden!
Ze kletsten nog wat over het weer. De Vries zette de scanner aan.
“Misschien gebeurt er wel wat op zee, het is behoorlijk aan het stormen.”
“Ik ga eens informeren of er wel een middagboot vaart,” zei De Groot en hij wilde opstaan. Maar Mia gebaarde dat hij kon blijven zitten.
“De boot is niet meer teruggekomen vanochtend. Dat betekent dat er dus ook geen middagboot gaat. En hoogstwaarschijnlijk ook geen avondboot. U zult hier nog een nachtje moeten blijven, vrees ik.”
Toen De Groot het huis van De Vries verliet, was het één uur in de middag. De storm was aangewakkerd tot een windkracht 10 en hij kon zich amper staande houden. Hij wist niet zo goed wat hij nu doen moest. Nu de boot niet voer, kwam de technische recherche voorlopig ook niet, netzomin als zijn collega. Het hotel lokte hem niet echt. Hij realiseerde zich dat hij zijn vrouw nog moest bellen, maar ook daar had hij weinig zin in. Hij kon natuurlijk de buurvrouw van Bertus Buylenstein gaan ondervragen, maar wat had dat voor zin als ze toch allemaal logen? Wat was toch de reden van al die leugens?
Hij besloot een strandwandeling te gaan maken. Voorovergebogen liep De Groot de weg naar zee, een stukje dat normaal gesproken een minuut of vijf in beslag nam, maar nu had hij zeker wel een kwartier nodig om het strand te bereiken. Het laatste eind had hij de wind mee en het was alsof hij vloog. De zee was woest en onstuimig, schuim vloog door de lucht en de branding maakte een enorm lawaai als van een snelweg. Het strand lag er wijds en verlaten bij. Hoewel, niet echt verlaten. In de verte liep een klein rood figuurtje. Iemand liet klaarblijkelijk een hond uit. Het rode figuurtje kwam dichterbij. Het was Annette Pul, zoals ze dus blijkbaar heette. De tweede vrouw die hij bij het kenkehuisje had gezien.
Hij wuifde naar haar en ze liep op hem af. Toen ze bij hem was aangekomen, lijnde ze de hond, een Mechelse herder, aan.
“Lekker weertje, hè,” riep ze boven het lawaai van de zee uit.
“Zeker. Waarom laat je die hond niet los?”
“Sommige badgasten zijn bang van honden. U niet?”
De Groot schudde zijn hoofd.
“Dus jij bent de zus van Piet Pul.”
“Eh, ja. Dat is mijn broer.”
“Nou ja, stiefbroer eigenlijk, toch? Mia en Jan hebben me verteld hoe de vork in de steel zit.” Ze keek hem opgelucht aan. Blijkbaar hield ze niet zo van geheimen.
“Piet is een schat van een jongen. Ik hoop dat hij nooit achter de waarheid hoeft te komen. Weet u al dat Jan en Mia ook kleinkinderen zijn van mijn opa? Hij had drie dochters.”
Haar stem stokte. Ze mompelde nog iets wat in het geraas verloren ging.
“Bent u getrouwd?” vroeg ze terwijl ze de hond losmaakte. Het dier begon meteen te rennen.
“Ja, ja, nog wel, maar we praten steeds vaker over scheiden. We hebben geen kinderen. En jij? Vriend? Verloofd?”
Ze schudde haar hoofd en bloosde.
“Misschien wacht ik wel op zo`n type als u…,” riep ze en rende weg.
De Groot keek haar verbluft na.
Het begon hard te regenen. De Groot begon ook te rennen en haalde Annette in.
“Kom, ik weet waar we schuilen kunnen,” riep Annette en ze verdween achter het duin. De Groot volgde haar.
Ze hielden halt bij een oude bunker. De Groot aarzelde voor hij naar binnen kroop. Het was er in ieder geval droger en beschutter dan op het strand.
“Waar blijft die hond nou weer. Achtbaan! Achtbaan!”
Annette riep zo hard ze kon.
“Hoe heet die hond? Achtbaan?” vroeg De Groot verbaasd.
“Ja. Hij was eerst van een kermisexploitant die hier eh… op vakantie was. Maar eh… de hond hield niet zo van reizen en hij vond het hier heerlijk, toen heb ik hem maar gehouden. Hij luisterde toch al niet zo naar zijn oude naam, dus kon ik hem makkelijk een nieuwe geven.”
“Wat was zijn oude naam dan?”
“Bertus. Maar dan vond Buylenstein niet goed. Hij zei dat hij de hond dood zou schieten als ik het beest geen andere naam zou geven.” Ze staarde triest naar de zee. De Groot verbaasde zich over de macht die Bertus Buylenstein blijkbaar gehad had.
De bui trok over en het werd weer droog.
“Ik moet weer naar huis,ik moet nog een heleboel doen voor vanavond. Het is vanavond Malle Klazen.”
“Malle Klazen? Pardon? Wat is dat?”
“Eén keer per jaar verkleden de mannen zich als Malle Klazen en dan gaan ze bij elkaar langs om een borrel te halen. En na afloop is er demasqué in hotel De Swaen. O, jee, Achtbaan is hem gesmeerd. Ik hoop dat hij niet weer in een dode meeuw ligt te rollen. Tot vanavond!”
Ze was weg voor hij er erg in had. Ik moet mijn vrouw nodig eens bellen, dacht hij. En hij liep richting dorp, nu met de wind in de rug.
Hij merkte niet hoe hij vanaf de vuurtoren in de gaten werd gehouden.
De Groot liep langzaam terug naar het dorp. Malle Klazen. Wat zou dat precies inhouden? Nou ja, hij kon het eiland toch niet af, dus hij zou de feestvreugde maar bijwonen. Over feest gesproken, hoe moest dat nou met de begrafenis van Bertus? Het lijk kon niet worden vrijgegeven voor dat de technische recherche een onderzoek had kunnen instellen. Maar de technische recherche kon niet komen vanwege de storm. En als die storm te lang aanhield, konden ze wel wegblijven ook. Hij besloot zijn chef maar eens te bellen.
In het hotel aangekomen bemerkte hij een ongewone bedrijvigheid. Een aantal mannen en vrouwen was druk doende stoelen en tafels in de gelagkamer te arrangeren, Hannes was met flessen drank in de weer en ook zag hij Annette weer, nu zonder hond, bezig met haar taak in de voorbereidingen van die avond.
De Groot plofte neer aan de bar naast een oudere, rossige man die in een glas whisky tuurde en zachtjes voor zich uit neuriede.
“Wordt u straks ook een Malle Klaas?” informeerde De Groot.
“Oh no, not me, thank you. Mijn naam is Harris.” Hij stak een hand uit voor een ferme handdruk.
“Bent u een toerist?” vroeg De Groot verder.
“Oh no, not me, thank you,” antwoordde de man.
“Ik woon hier. Al meer dan tweeënvijftig jaar.” Hij dronk de rest van zijn whisky in een teug op en wilde opstaan. Maar De Groot legde een hand op zijn schouder.
“Tweeënvijftig jaar…Dan kent u natuurlijk iedereen hier op het eiland…”
“Oh no, not me, thank you. Nou ja, wel van gezicht natuurlijk. En van naam. Maar echt kennen, ik geloof het niet. Vreemde mensen. Aardige mensen. Maar ze kennen…,”
Hij keek wat onzeker naar De Groot. Hij aarzelde blijkbaar, alsof hij iets wilde zeggen maar het niet goed durfde.
“Well, ik denk ik moet maar weer eens opstappen,” zei hij toen en verliet De Swaen.
De Groot bleef nog even zitten. Harris. Min of meer een buitenstaander. Misschien wist Harris wel iets dat een licht kon doen schijnen op deze zaak.

De Groot ging naar zijn kamer en pakte het telefoontoestel dat op zijn nachtkastje stond. Hij draaide, zoals was aangegeven, eerst een nul, en daarna het nummer van het hoofdbureau in Groningen. Maar er gebeurde niets, de telefoon ging niet over. Hij probeerde het nog een paar keer, toen draaide hij zijn eigen telefoonnummer, maar ook dat leverde niets op. De telefoonverbinding naar de vaste wal was blijkbaar door de storm onklaar geraakt.
Hij zuchtte even moedeloos. Geen boot, geen telefoon, geen moordenaar, geen mes. Hij verliet zijn kamer en kwam Eva Zorgstra op de trap tegen, die net naar haar kamer wilde.
“U kunt natuurlijk ook niet weg,” zei ze. “Wat vreselijk, hè, en dat in dit weer. Had ik die eerste boot maar niet gemist! Weet u wat, ik kom u zo gezelschap houden aan de bar, dan kunnen we ons verdriet misschien verdrinken. Weet u trouwens al dat de telefoon het ook niet meer doet?”
“Ja, daar ben ik net achter gekomen. Internet?”
“Hebben ze hier nog niet. Ik zei al, achterlijk.”
“Zou er een telegraaf of iets dergelijks zijn? Wacht eens, De Vries had het over een radio. Misschien is dat wat.” Hij draaide zich om, haalde zijn trenchcoat en verliet het hotel.
De Vries was nog thuis. Hij ging onmiddellijk met De Groot mee naar het piepkleine politiebureautje, twee panden verder. Er stonden verscheidene moderne apparaten, zoals een elektronische typemachine en een computer. Er was ook een radioinstallatie aanwezig en De Vries begon meteen ijverig te zenden. Maar al snel keek hij de inspecteur wat sip aan.
“Ook kapot. De bliksem is ingeslagen zeker. Ik zal meteen proberen de schade te laten herstellen. Piet Pul is daar erg goed in, weet je.”
De Groot probeerde niet te vloeken. Hij dacht diep na. Er was eigenlijk niets wat hij nu nog kon doen. Het hele eiland was contactgestoord en hij had zin in een borrel.

De Vries was met hem meegegaan naar De Swaen, hoewel hij eigenlijk liever alleen was gebleven.
Aan de bar zat Eva. Ze had haar laptop voor zich en haar vingers dansten snel over de toetsen. De Groot ging naast haar zitten en keek naar wat ze typte.
“Schrijf je een boek of zo?” vroeg hij.
“Inderdaad. Memoires van een cursusleidster. Nee, ik ben een nieuw programma aan het bestuderen. Kijk, dit is dus een diskette, die stop je hierin, en dan kan je aan de slag.”
“Zou ik dat ook kunnen leren?”
“Wat, natuurlijk. Kom maar eens hier, dan leer ik je de beginselen van het werken met een computer.”
De Vries zuchtte diep en liep naar het biljart. De rest van de middag kwamen ze zo wel door, terwijl de storm over het eiland raasde en de zee opzweepte tot over de kademuur.
Tegen vieren begon het weer te onweren. Bliksem en donder volgden elkaar meteen op. Opeens viel het licht uit. Eva haalde haar schouders op.
“Gelukkig had ik de laptop niet op het stroomnet aangesloten maar we houden nu mooi op, want met die elektrische apparaten weet je het maar nooit. Weet je nou zo ongeveer hoe het werkt?”
De Groot knikte. Hij had een spoedcursus computerkunde achter de rug en verlangde naar wat ontspanning.
Hannes stak kaarsen aan. Nu er geen elektriciteit meer was, was er ook geen muziek meer. De storm klonk nu wel erg dreigend. Een boomtak tikte tegen de ruit. Een paar mannen zaten zwijgend naar een scanner op batterijen te luisteren. Het kraakte en piepte. Af een toe klonken opgewonden stemmen.
“Het spookt behoorlijk op zee,” zei Hannes. “Het zou me niets verbazen als er wat zou gaan gebeuren.” Zijn blik naar buiten had iets onheilspellends.
Het avondmaal smaakte De Groot niet. Het gehuil van de wind en de kletterende regen benamen hem de eetlust. Hij dacht aan de schepen op zee die een nare nacht voor de boeg hadden.
Tegen zevenen haalde Hannes het koud geworden eten bij hem weg.
“Is het niet lekker?” vroeg hij bars. De Groot haastte zich om Hannes gerust te stellen.
“Een voortreffelijk maal, ongetwijfeld, maar eh… ik heb niet zo`n honger. Wat gaat er nou vanavond precies gebeuren met die Malle Klazen?”
Hannes lachte geheimzinnig.
“Dat ziet u vanzelf wel. Annette, wil jij even de koffie halen?”
Annette kwam even later met een kan verse koffie en een stapeltje kopjes. Ze ging net als Hannes bij De Groot aan tafel zitten. In het kaarslicht leek ze nog mooier, vond De Groot.
“Inspecteur,” zo begon Hannes, “Ik heb een verzoek. Zoals u weet zijn we momenteel geheel van de buitenwereld afgesloten en kunnen we niemand bereiken.”
De Groot knikte.
“Maar Bertus staat nog steeds boven de grond. Dat is toch ergens niet netjes, zo langzamerhand moeten we toch een begrafenis gaan regelen. We hadden zo gedacht, overmorgen.”
“Moet zijn vrouw dat niet beslissen?” vroeg De Groot.
“Ze heeft tegen mij gezegd dat ik het maar moest regelen. Als zijn broer.”
De Groot was even stil van verbazing.
“Ben jij een broer van Bertus Buylenstein? Hannes Buylenstein?”
“Jawel, inspecteur,” zuchtte Hannes.
“Je lijkt niet op hem. Maar goed, ik denk dat het inderdaad het beste is als Bertus maar begraven wordt. We hebben het mes in zijn rug gezien, en de moordenaar is al lang vertrokken.”
De Groot hoorde zichzelf en vroeg zich af waarom hij eigenlijk niet gewoon bekend maakte dat Buylenstein helemaal niet door dat mes was vermoord. En dat dat mes bovendien was verdwenen.
Eigenlijk wìlde De Groot deze zaak niet oplossen. Mensen arresteren. Misschien Annette wel in de boeien slaan. Hij had er gewoon geen zin in. De moordenaar was verdwenen. Misschien wel met het mes.
Maar De Groot schaamde zich meteen voor zijn gedachten. Hij was tenslotte inspecteur van politie en het was zijn plicht de waarheid boven tafel te krijgen.
Intussen vertelde Annette hoe het Malle Klazen precies in zijn werk ging.
Hannes mijmerde over de geheime kruidenmix in zijn hutspot.
En de wind loeide nog steeds over het eiland.
Tegen negenen begon het feest los te barsten. Uit vrijwel alle huizen kwamen mannen naar buiten, in witte lakens en met maskers van hout. Ze droegen pruiken van stro en oude hoge hoeden. Ze liepen elkaar tegemoet, gingen dan in groepjes van drie of vier naar de verschillende verlichte huizen waar het vrouwvolk al ongeduldig voor de ramen stond te wachten. Zij mochten die avond niet voor elf uur op straat verschijnen en ook Eva Zorgstra had van Hannes huisarrest opgelegd gekregen.
“Stelletje primitievelingen,” mopperde ze verongelijkt.
De Groot bladerde wat in het cursusboek van Piet Pul die het nog steeds niet had opgehaald. De stroom was nog altijd uitgevallen en de kaarsen flakkerden hevig iedere keer als er een deur open ging. De Groot voelde zich melancholiek. Wat als Annette iets met de moord te maken had?
Er kwam een Malle Klaas het hotel binnen. Een windvlaag die met hem mee de deur in kwam, blies enkele kaarsen uit. De Malle Klaas was onherkenbaar achter zijn houten masker en hij zweeg.
“Je bent te vroeg, Berend.” zei Hannes.
“Hoe weet je nou dat ik het ben?” klonk het dof vanachter het masker.
“Je bent elk jaar te vroeg. Maar neem maar wat te drinken.”
De Malle Klaas ging aan de bar zitten naast Eva Zorgstra die hem weinig enthousiast bekeek. De Groot luisterde naar de scanner die nu op de bar stond. Er klonken nog steeds opgewonden stemmen. Wat er gezegd werd, kon De Groot niet volgen want het was in het Pools of Russisch, maar dat er ergens een schip in de problemen zat, was duidelijk.
De Malle Klaas dronk zijn kruidenbitter met een rietje zodat hij zijn masker niet af hoefde te zetten. Het was een raar gezicht, vond De Groot. Even later kwam een tweede Malle Klaas binnen. Hij had een accordeon bij zich en zette zich op een stoel die op het biljart was neergezet.
“Thijs, wil je ook al vast wat drinken?” riep Hannes.
“Wat heeft het toch voor zin om je te vermommen als je toch herkend wordt?” vroeg De Groot zich hardop af.
De accordeonist begon te spelen. De muziek kon amper boven het geraas van de storm uitkomen. Al snel volgden nu de andere Malle Klazen die hun ronde langs de huizen van Rottumerzand er op hadden zitten. Tenslotte was het maar een piepklein dorpje dus na een uurtje of twee was men wel overal geweest.
Sommige Malle Klazen begonnen wat aarzelend mee te zingen met de muziek. Het waren oude zeemansliedjes die De Groot nog nooit gehoord had. Het werd bijna gezellig, constateerde hij. Ware het niet dat de Malle Klazen met hun starre maskers er weinig vrolijk uit zagen en de liedjes bijna allemaal over de dood gingen.
“Leuk, hè,” zei Eva.
“Nou. Reuze. En dit is vast het hoogtepunt van het jaar,” fluisterde De Groot. Ze grinnikten.
“Wat een ellende. Zou de boot morgen weer varen?” vroeg Eva.
“Laten we het hopen. Kijk, daar hebben we nog meer Malle Kabouters.”
“Klazen. Malle Klazen. Ze zien er inderdaad wel mal uit met die stomme rietjes.”
De Groot en Eva kregen steeds meer pret maar ze bonden wat in toen ze Hannes vertoornd in hun richting zagen kijken.
Intussen ging het feest gewoon door. Tegen elf uur stopte de speelman. Hij ging rechtop staan en sprak:
“Zometeen komen de vrouwen er bij. Ik vertrouw erop dat jullie er niet zo`n janboel van maken als vorig jaar. Gedraag jullie rustig.”
“Nog rustiger en ze zijn in coma,” fluisterde Eva.
Klokslag elf kwamen er inderdaad een aantal vrouwen binnen, ze hadden zich goed aangekleed tegen de storm en hun wangen waren rood van opwinding.
“Nu gaat het gebeuren,” zei De Groot weinig verwachtingsvol.
“Hou je hart maar vast,” zei Eva lusteloos.
De speelman zette een dansmelodietje in en de Malle Klazen begonnen zowaar te dansen. Ze rukten als het ware allemaal een dame uit het groepje dat net was binnen gekomen en een merkwaardig uitbundige danspartij barstte los.
“Hallo,” zei De Groot, “dat had ik niet achter die Houten Klazen gezocht. Zullen we ook eens een dansje wagen?”
“Welja,” zei Eva. Ze keken goed wat de danspassen ongeveer voorstelden en daar gingen ze, voetje van de vloer. De Groot merkte dat hij er plezier in begon te krijgen. Onder de aanwezige vrouwen bevond zich ook Annette, die woest met een Malle Klaas danste maar af en toe lachend in zijn richting keek.
Opeens hield de speelman midden in een dans op. Hij staarde naar de deur. Gehuld in een grote donkere jas stond daar de weduwe van Bertus Buylenstein. Ze keek bedeesd naar alle aanwezigen die zwijgend naar haar terug keken. Ze wilde zich omdraaien om het hotel weer te verlaten, maar toen begon een van de Malle Klazen langzaam in zijn handen te klappen. Anderen volgden en het geklap werd steeds vlugger. De vrouw stapte haastig naar binnen en deed haar jas uit. De speelman zette weer in en het feest ging gewoon verder. De Groot keek verbijsterd naar Eva die haar schouders ophaalde.
“Zullen we even pauzeren? Ik krijg er dorst van,” zei Eva die naar de bar liep. Maar De Groot volgde haar niet. Hij tikte op de schouder van de Malle Klaas waar Annette mee danste en nam haar van hem over. Ze bloosde en lachte schalks naar hem.
De Malle Klaas waar Annette mee had gedanst, schuifelde langzaam in de richting van de deur. Snel, zonder dat iemand het gezien had, controleerde hij de inhoud van zijn binnenzak. Het handvat van een revolver stak nog juist over de rand.
“Vindt u het leuk, Malle Klazen?” vroeg Annette intussen.
“Ja, heel erg leuk. Maar wel wat lawaaierig. Wil je wat drinken?”
Annette schudde haar hoofd.
“Ik dans liever nog even,” zei ze dromerig. De Groot deed zijn best om op de maat van de muziek iets van een danspas uit te voeren.
De avond verliep verder vrolijk en toch ietwat ingetogen, tot een van de mannen die aan de bar zaten, plotseling gebaarde dat de muziek moest ophouden.
“Stilte, mensen, er is een schip in nood!” riep hij en meteen was alleen de scanner nog te horen.
“Er zit een Pools schip in moeilijkheden, precies hier boven het strand!”
Meteen vlogen alle Malle Klazen de dansvloer af en renden naar buiten, de storm in.
Ook Annette was verdwenen voor De Groot er erg in had.
Hij bleek de enige te zijn die zich nog in het café bevond.
Iedereen was zeker naar het strand. Alleen Eva ging bij de deur weer terug naar binnen. Ze vond het te guur.
De Groot trok zijn jas aan en verliet De Swaen.
Sommige Malle Klazen hadden zich naar de haven gerept en even later voer een reddingboot uit, gevolgd door een bergingsschip.
Het strand was niet ver weg, maar het waaide zo hard dat De Groot zich met moeite staande wist te houden.
Onderweg passeerde hij het knekelhuisje waar de onfortuinlijke Bertus nog altijd lag opgebaard.
“Dag, Bertus,” zei De Groot zacht. “‘t Is feest, man. Je mist heel wat.”
Hij zag niet hoe een gestalte hem volgde.
Op het strand was het behoorlijk druk met Malle Klazen en ze renden allemaal richting zee. Ergens in de golven dreef het onfortuinlijke schip.
De vuurtoren, die een eigen aggregaat had en dus ondanks de stroomstoring gewoon kon blijven schijnen, verlichtte om de paar seconden de plaats van de schipbreuk, waardoor De Groot toen hij bij de vloedlijn was aangekomen, de contouren van een flinke vrachtvaarder kon waarnemen.
Intussen was het een merkwaardig gezicht, al die verklede mensen op dat donkere strand in de storm.
Hij ontdekte Annette. Ze tuurde naar de zee.
De Groot zuchtte. Wat was ze toch mooi.
Er klonk geschreeuw en geroep. Iemand had de scanner mee genomen en door het gekraak heen viel goed te horen hoe de redding vorderde. De reddingboot was nu in de buurt van de Pool en probeerde een verbinding te maken door een lijn over te gooien. Dit mislukte echter keer op keer en wanhopige stemmen kraakten door de ether. Opeens klonk er een kreet.
“Man overboord! Een van de Polen is over boord geslagen!”
Vervolgens bleef het een tijdje akelig stil op de scanner. Iedereen op het strand hield de adem in. Verdwaasd stond men naar de zee te turen.
Sommige Malle Klazen hadden nog steeds hun masker niet afgedaan.
Annette draaide zich naar De Groot toe. Haar wangen gloeiden van opwinding, haar haar waaide alle richtingen uit.
“Er is iemand achter de Pool aan gesprongen vanaf de reddingboot,” klonk een opgewonden stem van een Malle Klaas met een sterke nachtkijker, die hem daarop bijna uit de handen werd gegrist.
“Ja!” hoorden ze opeens via de scanner, “De Pool is veilig. Piet Pul heeft hem uit het water gehaald!”
Op het strand werd opgelucht gejuicht.
“Die broer van jou!” knikte De Groot naar Annette, maar ze hoorde hem niet boven de storm uit. Ze was bezig een vrouw te omhelzen, het was Elsa, die snikte. Anderen klopten haar op de schouder. Elsa, de moeder van Piet, zoals iedereen op het strand wist.
De redding van de bemanning van het Poolse schip verliep de volgende minuten uiterst voorspoedig en snel. Via de scanner kon de hele operatie worden gevolgd en toen de laatste man aan boord van de reddingboot was gehesen, klonk er een enthousiast gejoel op het strand. Annette klapte in haar handen en sprong op en neer.
Alle Malle Klazen maakten nu dat ze van het strand kwamen en renden weer richting dorp, om de schipbreukelingen in de haven op te vangen.
De Groot wilde de meute volgen maar iemand tikte hem op de schouder.
“Ik wil eens met u praten, inspecteur. Het gaat over een kwestie die u meer inzicht zal verschaffen in de persoon die Bertus Buylenstein is geweest,” zei een stem, een bekende stem, amper hoorbaar boven het geweld van de storm uit.
De Groot draaide zich om. Het was Harris, zoals hij al aan het Engelse accent van de man had gehoord. Harris droeg geen Malle Klazenpak.
Zonder iets te zeggen ging Harris hem voor naar een klein huisje in het dorp. Met een uitnodigend gebaar zwaaide hij de deur open en De Groot ging naar binnen.
Het huisje was knus en warm, met oudroze behang en mahoniehouten meubilair. Er brandde een open haard.
“Ga zitten,” zei Harris en hij schonk twee glazen met whisky in.
“Wat ik u nu ga vertellen, doe ik met de grootst mogelijke aarzeling. Het kan mijn leven drastisch veranderen en dat zou ik heel erg vinden. Maar ik zou het nog erger vinden als Buylenstein zelfs na zijn dood nog voor ellende zorgt.”
“Proost,” zei de Groot en hij hief zijn glas. “Vertel maar, meneer Harris.”
“Oh, no, please noem me maar John. Dat is mijn naam.”
“Ik ben benieuwd.” Intussen bekeek De Groot de foto`s aan de wand. Een vergeeld portret van een oudere vrouw, ongetwijfeld de moeder van John Harris. Oude kiekjes, van een vliegtuigje, vliegeniers in uniform ernaast.
Harris volgde zijn blik.
“Dat was mijn plane, in de wereldoorlog. In 1943, om precies te zijn. Ik was bij de RAF, weet je. Hoge rang ook. Not much fun, really. Ik deed het vooral om van mijn familie verlost te zijn. Aardig gelukt, wat? Dat is mijn moeder, by the way. Zij was toen al overleden.”
De Groot dronk van de whisky en vroeg zich af wat het verhaal van de Engelsman zou behelzen.
“Well, laat ik beginnen met het verhaal van Rottumerzand in de oorlog te vertellen.
Rottumerzand was, net als de rest van Nederland, door de Duitsers bezet. Hier op het eiland waren een handjevol Duitse soldaten gelegerd, die geen barst te doen hadden. Het was hun taak Engelse vliegtuigen uit de lucht te schieten maar dat gebeurde nooit, de vliegroutes van de Engelsen lagen niet boven Rottumerzand. Er kwamen wel Duitse vliegtuigen voorbij op weg naar Engeland.
Afijn, er stond dus een soort van machinegeweer op het duin. Bewaking was er nauwelijks, de soldaten zaten meestal in De Swaen want het waren nou niet direct de meest fanatieke militairen die de Duitsers hier heen hadden gestuurd.
Op een dag beklom een groepje Rottumerzanders in de vroegste ochtenduren het duin en ze stalen het machinegeweer. Nee, ik weet wat u zeggen wilt, maar zo is dat toch echt gebeurd. Ze droegen het ding naar de vuurtoren want ze waren van plan een aantal Duitse oorlogsschepen die op dat moment naar Hamburg voeren, onder schot te nemen.
Ze hadden de grootste moeite het ding naar boven te dragen, honderdentwee treden omhoog, en de trap draaide ook nog eens sterk. Toen ze eindelijk boven op de toren stonden, hoorden ze vliegtuiggeronk. Vanuit Duitsland kwam een klein militair vliegtuig aanzetten.
“Een Messerschmidt!” riep Andries Pul en Johan Paulusma, die nu dokter is, draaide het machinegeweer in de richting van het naderende vliegtuig.
Andries schoot meteen en het vliegtuigje stortte neer.
Ze renden met z`n allen de toren weer af om te kijken wat er van over was. Het vliegtuigje was op het strand terechtgekomen, het stond in brand. En daar stond ook Bertus Buylenstein, die toen een jaar of twintig was, en hij lachte zich te barsten.
“Dat hebben jullie fantastisch gedaan, jongens. Werkelijk briljant!” riep hij. En toen keken ze naar het vliegtuigje. Het was een Engels gevechtsvliegtuig. Mijn vliegtuig.”
Harris stopte even en nam een slok.
“Wat was er met u gebeurd?” vroeg De Groot, die het verhaal met stijgende verbazing had aangehoord.
Harris wuifde dat dat wel meeviel.
“Ik had geen schrammetje. Weet je, ik was net bezig met een vlucht terug naar Engeland, in mijn eentje, na een gevaarlijke verkenningsvlucht boven Bremen. Ik had net bedacht dat ik schoon genoeg had van de oorlog en ik overwoog zelfs weer naar mijn ouderlijk huis te gaan. Mijn vader was een Lord, you know, en ik ben opgegroeid met kostscholen en christmaspuddings en al die andere zaken die het leven in Engeland voor mij tot een hel maakten. Vergeet ik bijna de Nanny.
Maar goed. Ik kon mezelf met een parachute redden, kwam in zee terecht en werd door de Rottumerzandse schutters uit het water gehaald en meteen voor de Duitsers, die door het geschiet gealarmeerd waren, verborgen in de kerkers onder De Swaen. Voor de rest van de oorlog. En ik woon hier nog steeds.”
“Nooit meer terug gegaan naar Engeland?”
“Oh, no, not me. Missed in action, officieel.”
“Doodverklaard?” De Groot klokte de rest van de whisky naar binnen.
“Yes. Missed in action. Hier, neem er nog een.”
“Dus u beweert dat u al zo`n vijftig jaar wordt vermist? Terwijl u al die tijd hier heeft gewoond?” De Groot keek hem verbaasd aan.
“Ik was zo blij dat ik een nieuw leven kon beginnen. Ik had hier een kapperszaakje, het leverde niet veel op maar ik had er erg veel plezier in. Nu werk ik niet meer, ik heb AOW.”
“Maar dan moet u toch papieren hebben? Een fiscaal nummer?”
Harris zuchtte.
“Ik wist dat u bij de politie werkte en dat ik mezelf in grote problemen zou kunnen brengen.”
“Helemaal niet. Ik ben alleen benieuwd.”
“Ik heb valse papieren, natuurlijk. Al meteen vlak na de oorlog gekregen. Allemaal dankzij mijn vrienden, de Rottumerzanders. Die kunnen nog eens een geheim bewaren.”
“Dus de Rottumerzanders hebben u al die tijd geholpen? En hoe zit het dan met Bertus Buylenstein?”
“Bertus.” Harris zuchtte opnieuw.
“Weet je, de Duitsers waren opgetogen dat de eilanders een Engels vliegtuig uit de lucht hadden gehaald. Vooral toen de Rottumerzanders de eer aan hun bezetters lieten en deze eindelijk eens een heldendaad aan het thuisfront en hun meerderen konden melden. Maar toen de oorlog afgelopen was, had Buylenstein een prachtig chantagemiddel. Hij dreigde de Nederlandse regering te vertellen wat er gebeurd was en de gevolgen zouden nog wel eens knap ernstig kunnen zijn, zo zei hij. Dus kon hij zonder veel problemen het mooiste huis van het eiland opeisen, uitmaken wie er wel of niet naar de wal mocht verhuizen, trouwen met wie hij wilde en als een waar dictator het eiland regeren. En hij had een behoorlijke grip op mijn leven, natuurlijk. Ik wilde voor geen goud terug naar Engeland. Maar hij kon me elk moment aangeven, met mijn valse papieren.”
“Dus u zegt eigenlijk: wie Bertus heeft vermoord, heeft Rottumerzand bevrijd. Eindelijk.”
“Juist.” Ze dronken de rest van de fles zwijgend leeg. Buiten raasde nog steeds de storm, maar de wind werd zwakker.
Het was al ver na middernacht toen De Groot het huisje van Harris verliet. Hij had veel om over na te denken. De storm was nu definitief gaan liggen en hij besloot eens naar de haven te lopen waar de reddingboot weer rustig lag te wachten op een volgende missie.
Hoe vredig zag het eiland er nu uit. En terecht. De dictator was dood. Geen wonder dat niemand treurde.
Vanuit De Swaen klonk nog wat muziek en een laatste Malle Klaas wankelde naar buiten.
“Wat een eiland,” mompelde De Groot.
Hij ging naar binnen en vroeg zich af of de telefoon al weer werkte maar het was nu toch te laat om te bellen dus kon het hem ook niet echt schelen.
In de gelagkamer zaten de geredde Polen nog wat bij te komen van de schrik. Het waren een tiental mannen van diverse leeftijden. Ze hadden zeker bedacht dat er niets zo goed tegen de ontberingen van een schipbreuk hielp als onverdunde wodka. De Groot ontdekte Eva die zich uitstekend leek te amuseren met, zo te zien, de kapitein. Piet Pul zat er als stralend middelpunt bij en herhaalde steeds weer, en steeds onsamenhangender, hoe hij het leven van de Poolse matroos had gered.
Eén van de Malle Klazen, die nog steeds een masker droeg hoewel het demasqué allang voorbij was, praatte geanimeerd in het Pools of misschien Russisch met de bemanningsleden. De Groot verbaasde zich erover, maar hij was te moe om na te denken.
De Groot sleepte zich naar boven, hij voelde zich opeens loodzwaar. Hij viel als een blok in slaap.
De volgende morgen werd hij om tien uur gewekt door de telefoon, die het in ieder geval dus weer deed.
Het was de commissaris. En hij klonk niet echt blij.
De Groot had hem maar bitter weinig te melden. Een lijk, een mes, dat weer verdwenen was, getuigen die een vreemde man op de boot hadden gezien. Een verdwenen horloge.
“Laat als de sodemieter dat lijk naar de wal brengen voor een onderzoek,” brieste de commissaris, “Ben je nou helemaal gek. We hebben al zoveel werk met die Igor de Kermisklant-zaak! En we zitten ook nog met een staking hier. De politie staakt!”
“Staak ik ook?” informeerde De Groot.
“Nee, lamstraal, jij doet gewoon je werk. Blijf maar mooi nog een paar dagen op dat Rottumergat…”
“…zand.” verbeterde De Groot hem. “Dus er komt voorlopig geen begrafenis?”
“Voorlopig niet, nee. Ik wil eerst weleens precies weten waar die Buylenmedinges aan overleden is.”
“…stein,” mompelde De Groot.
Hij hing op en besloot eerst te ontbijten voor hij zijn vrouw zou bellen.
Er was nog niemand in de eetzaal behalve Hannes die eruit zag alsof hij een enorme kater had.
“Slapen de schipbreukelingen nog?” informeerde De Groot toen Hannes de koffie kwam inschenken.
“Als een roos. Iedereen slaapt nog, na vannacht. John draaide zich ook nog eens lekker om toen ik vanmorgen de deur achter me dicht trok.”
De Groot verslikte zich bijna in zijn koffie.
“John? Bedoel je John Harris?”
Hannes grijnsde.
“We zijn al jaren samen gelukkig.”
Hij beende weg met de koffiekan en liet De Groot onthutst achter. Hannes… een homo? Nou ja, waarom niet. Geen wonder dat hij zo`n verzorgd kapsel had, John zou hem wel vaak knippen…
Toen De Groot een beetje bijgekomen was van zijn verbazing, kwam Eva de trap afstommelen. Ze zag er slecht uit. Haar gezicht was asgrauw en ze had diepe kringen onder haar ogen. Hannes bracht haar automatisch een glas tomatensap dat ze in één teug leeg dronk. Vlak achter haar aan kwam de Poolse kapitein van het ongelukkige schip. Hij zag er heel wat vrolijker uit en ging tegenover Eva aan tafel zitten.
Hij knikte De Groot vriendelijk toe.
Ook de rest van de Polen druppelde nu naar binnen. Ze leken zich aardig in hun lot te schikken, want er klonk af en toe vrolijk gelach onder het ontbijt. Ze droegen merkwaardige felgekleurde shirts, waar ze zelf enorm veel schik om hadden.
Hannes wees er trots naar.
“Dat zijn afdragertjes van John en mij. Kijk ze er eens blij mee zijn.”
De Groot knikte en at haastig verder. Hij voelde een slappe lachbui aankomen en hij wist dat hij niet gemakkelijk meer zou kunnen stoppen als hij eenmaal was begonnen.
Na het ontbijt vertelde De Groot over het telefoongesprek met de commissaris.
“Dus Bertus moet voor onderzoek naar de wal. Nou, dat kan wel geregeld worden. Jan de Vries heeft een lijkwagen voor begrafenissen, die vervoert Bertus wel even naar Groningen.”
“Mooi. Dan ga ik nu even langs Elsa Buylenstein om haar het nieuws te vertellen.”
“Die is nu niet thuis, maar in de winkel. Hiernaast.”
Hannes ging door met het afruimen van de ontbijttafels en De Groot verliet het hotel.
Bij het naar buitengaan botste hij zowat tegen Annette op. Ze zag er ontdaan uit. Ze snikte.
De Groot pakte haar arm.
“Wat scheelt eraan? Is er iets gebeurd?” vroeg hij bezorgd.
“Ik… ik kan het niet langer voor me houden,” snikte ze. “Ik heb Bertus vermoord. Met de hutspot van Hannes!”
De Groot keek snel om zich heen om zich ervan te vergewissen dat niemand haar gehoord had en loodste haar ijlings het hotel in. Hij nam haar mee de gelagkamer binnen waar de gordijnen nog gesloten waren en de rook -en bierlucht van de vorige nacht nog hingen.
Hij zette haar aan een tafeltje en zocht achter de bar een glas dat hij vulde met water uit de kraan.
“Hier, drink dit eerst eens op.”
Annette klokte hortend en stotend wat water naar binnen. Ze schokte helemaal en het duurde even voor ze kon praten.
“Ik heb Bertus vermoord,” herhaalde ze toen. “Ik heb hem, zoals wel vaker voorkwam, wat van de hutspot van Hannes meegegeven voor thuis. Hij was de enige die die troep wel kon waarderen, ik geloof dat het een familierecept is.”
“Het is ongelooflijk smerig spul, maar daar ga je toch niet dood aan?” zei De Groot en hij klopte haar bemoedigend op de rug.
“Malle meid.”
Maar Annette schudde heftig haar hoofd.
“Aan die hutspot op zich misschien niet, maar ik had er rattengif in gedaan…” Ze begon weer te huilen.
“Tja, dan kan het effect inderdaad nogal heftig zijn,” zei De Groot. Annette hield even op met huilen toen ze de luchtige toon in de stem van de inspecteur hoorde.
“U neemt mij toch wel serieus?” vroeg ze, ietwat verbolgen.
“Ja, natuurlijk wel, maar ik geloof niet dat Bertus gestorven is aan die rattengif. Hij zag er niet vergiftigd uit, tenminste. Ik zal je een beschrijving besparen van hoe een vergiftigd iemand er uit ziet na zijn dood, maar bij Bertus wijst niets daar op. Hoe kwam je eigenlijk aan dat spul?”
Annette droogde haar tranen.
“Meent u dat nou? Dus dan hoef ik niet naar de gevangenis? Ik heb het gif in de keuken uit Hannes laatje weggenomen. Hij zegt tenminste altijd dat zijn speciale hutspotkruidenmengsel prima rattengif is. Is Bertus toch door het mes om het leven gebracht? Ik dacht even…”
Het hart van De Groot smolt. Het liefst had hij haar nu in zijn armen genomen en gewiegd als een kind.
“Maar waarom wilde je Bertus dan vermoorden?” vroeg hij in plaats daarvan.
Annette aarzelde even.
“Het is nogal pijnlijk,” zei ze, “Maar ik wil het je toch maar vertellen. Ik heb ooit een verhouding gehad met een kermisexploitant. Een Rus.”
“De vorige baas van Achtbaan,” zei De Groot en hij haatte de man terstond.
“Ik heb hem alles over Bertus verteld en hoe hij ons allemaal chanteerde en zo. Nou, en Jack, zo noemde hij zich, Jack wilde ons wel van hem afhelpen. Voor een klein bedrag. Eerst vonden we dat te ver gaan, maar hoe langer we er over praatten, hoe beter het idee ons leek. Jack zou hem dus doodschieten. Met een revolver.” Ze kuchte even en nam nog een slok water.
“Maar de aanslag…” Ze aarzelde en keek hem even aan.
“Nou ja, de aanslag … mislukte zeg maar.”
“Ogenblikje, hoor, maar je zegt steeds “we” en “ons”. Wie bedoel je daarmee?”
“Iedereen. Opa, Hannes, Elsa, Mia, Jan…”
“Jan de Vries? De hoofdagent van politie?”
“Ja. O, laat dit alsjeblieft onder ons blijven, Vincent…”
De Groot was verward. Dit was de eerste keer dat ze hem Vincent noemde maar hij moest bij de les blijven. Zo nodig moest hij alle bewoners van Rottumerzand maar achter de tralies gooien. Dit werd toch te gek. Messen, gif, revolvers…
“Hoe bedoel je, de aanslag mislukte?” De Groot keek Annette streng aan.
“Jack zou Bertus doodschieten als hij met zijn fretten bezig was. Als hij de schuur weer uit zou komen, bedoel ik. Nou, en toen kwam Bertus dus naar buiten. We stonden met z’n allen te wachten. Jack richtte zijn revolver…” Ze stopte. Ze wendde haar blik af van De Groot en vervolgde mompelend haar verhaal.
“En toen griste iemand de revolver uit de handen van Jack.”
“Wie griste de revolver uit de hand van Jack?” vroeg De Groot.
“Elsa…”
“Wanneer was dit?”
“In april van het vorige jaar. Maar er is dus niets gebeurd. Elsa pakte de revolver en toen zijn we maar naar binnen gegaan. Bertus bleef nog een half uur bij de fretten voor hij naar De Swaen vertrok. Hij heeft niets gemerkt. Jack is de volgende dag vertrokken. Ik heb hem niet meer gezien sindsdien, hij heeft nog wel een kaartje gestuurd, uit Aruba.” Ze snotterde weer. De Groot keek argwanend. Om de een of andere reden had hij het idee dat er nog meer aan het verhaal van Annette vast zat. Opeens flitste er iets door zijn brein. Een woord, een naam. Jack. Dat leek wel wat op John… Kermisklant John, één van de aliassen die Igor gebruikte. Igor kwam uit het Oostblok. Als dat toch eens een en dezelfde persoon zou zijn… Igor waar ze nou al zo lang naar zochten… Het leek te mooi om waar te zijn!
De Groot probeerde zijn opwinding niet te laten blijken.
“Moet ik nou naar de gevangenis?” snikte Annette.
“Tja, kijk, in principe zijn jullie wel allemaal schuldig aan het voorbereiden van een moord. En jij helemaal, met je rattengif.”
“Ben je nou boos?” vroeg ze timide.
De Groot werd wat nerveus. Wat moest hij hier nou weer mee aan.
“Nee, hoor. Weet je wat, ga nou maar gewoon door met wat je van plan was. Ik moet naar Elsa Buylenstein. Ik spreek je nog wel. En mag ik die ansichtkaart uit Aruba eens zien? Als je die nog hebt?”
Hij liet Annette zitten in de gelagkamer en verliet het hotel.
De Groot liep opgewonden over de kade. Het bestaat niet, het kan niet… mompelde hij. Maar wat als hij het nou eens bij het juiste eind had?
Hij kwam voorbij het winkeltje van Piet Pul waar elektronische apparatuur en video’s in de etalage lagen. Hij kreeg een idee. Hij stapte de winkel binnen en groette Piet Pul, die zenuwachtig achter zijn toonbank stond.
“Goedemorgen, meneer Pul. Ik wilde u eens iets vragen,” begon De Groot gewichtig.
“Over Bertus? Ik weet niets, hoor,” stamelde Piet Pul.
“Nee, nee, niet over Bertus. Ik wilde u vragen of u mij een telefoon kunt verhuren. Een draagbare telefoon.”
Piet Pul haalde opgelucht adem.
“O, jawel hoor. Kiest u maar uit, ik heb twee verschillende modellen.” Hij toonde trots zijn toestellen. De Groot nam de kleinste en liet zich voorlichten over de werking ervan.
“Prima. Dus dit is het nummer waar ik nu onder te bereiken ben. Ik zal het meteen even doorgeven aan mijn chef en mijn vrouw, dan kunnen we gelijk zien of het werkt.”
De Groot belde eerst zijn eigen nummer in Groningen, maar hij kreeg het antwoordapparaat met de vermoeide stem van Els. Hij sprak zakelijk een boodschap in met het nieuwe nummer en belde toen naar het bureau. Wiebrink was er niet maar een jonge agente nam de boodschap in ontvangst en beloofde deze door te geven. De Groot knikte Piet Pul vriendelijk toe toen hij de winkel verliet.
Elsa zat even verderop achter de toonbank van haar winkeltje. Ze bestudeerde de boekhouding, die Bertus voorheen waarschijnlijk beheerd had.
Ze zag er moe uit.
“Ach, inspecteur. Wat kan ik voor u doen?”
De Groot vertelde haar over de op handen zijnde reis van Bertus. Ze knikte.
“Als het moet, dan moet het maar. De begrafenis moet maar even wachten. Wilt u misschien een kopje koffie? Ik heb net verse gezet.”
De Groot stemde toe en ging haar achterna, het kleine kantoortje binnen. Ze konden er net met z`n tweeën zitten.
Op het bureau stond een laptop met ernaast een aantal diskettes. Dat was allemaal nog van de computercursus, realiseerde De Groot zich. Word perfect 5.1..
“Kon uw man al wat met de computer overweg?” vroeg hij terwijl hij een kopje koffie aannam.

11 February 2006
By on 11:21
Trammelant op Rottummerzand – vervolg-

“Ja, hij wel. Hij was er uren mee bezig. Ik weet niet wat hij er allemaal mee deed, gelukkig niet de boekhouding want dan had ik me nu geen raad
geweten. Ik weet niet eens hoe je `m aan de gang krijgt.”
“Mag ik eens?” vroeg De Groot en toen Elsa knikte, opende hij het apparaat. Hij drukte op een knop en het beeldscherm floepte aan. Hij stopte even later een diskette in het station.
“Zover ben ik nog nooit gekomen,” mompelde Elsa. Ze keek geboeid naar de handelingen die de Groot uitvoerde.
“…en nou op F5, en dan Enter, en dan…” De Groot had goed onthouden wat Eva hem geleerd had.
Een scherm vol bestanden verscheen. Tot zijn en Elsa`s verbazing, droeg elk bestand de naam van een Rottumerzander. “Hij heeft jullie allemaal opgeslagen. Op zo`n schijfje.”
“Kunt u ook zien wat er precies op staat?” vroeg Elsa, maar op dat moment viel de stroom weer uit. De batterij van de laptop was blijkbaar leeg, want De Groot kon niets meer beginnen.
“We gaan verder zodra er weer stroom is,” zei De Groot.
“Intussen wil ik het eens met u hebben over ene Jack.”
Hoewel het nu aarde donker was in het kantoortje, voelde De Groot als het ware hoe Elsa het bloed naar de wangen steeg.
“U weet er alles al van, vermoed ik. Gaat u me nu arresteren? En de anderen?” Ze klonk niet erg bang, eerder vastberaden niet te gaan huilen.
“Waarom zou ik? Er is toch niets gebeurd?” fluisterde De Groot. Hij fluisterde omdat er iemand de winkel was binnengegaan.
Elsa stond op om de klant te helpen. De Groot zat te wachten op stroom. Die kwam sneller dan hij verwacht had.
Even later nam hij een kijkje in het privé-archief van Bertus Buylenstein…

De Groot vergat de tijd terwijl hij in de bestanden van Bertus rondneusde.
Het was ongelooflijk. Bertus had echt van iedereen op Rottumerzand wetenswaardige en akelige feiten en feitjes verzameld. Hij wist precies hoe vaak de dokter bekeurd was voor te hard rijden, met wie Jan de Vries in de loop der jaren allemaal vreemd was gegaan, dat Annette iets met ene Jack van de kermis had gehad,(helaas stond er verder niets over Jack zelf), dat Piet Pul zwart zaken deed. Maar dat Piet Pul zijn zoon was, stond nergens. Dat hadden de Rottumerzanders goed verborgen weten te houden. Ook van John Harris had Bertus een bestand aangelegd en Hannes stond er netjes bij vermeld als zijnde de levenspartner van John. Bij het bestand met de naam Hannes las De Groot ook het recept voor hutspot met speciale kruidenmix “Van Moeder” en hij grijnsde.
Er was ook een bestand genaamd “Elsa”. Veel stond daar niet in, alleen een datum, 23-4-1995 en de letter J. De Groot voelde zijn hart bonzen.
Met bijzondere interesse las hij het hoofdstuk “Annette”.
Ze was vierentwintig, ontdekte hij, en weliswaar de kleindochter van de dokter, maar haar vader was volgens Bertus een Duitse matroos, “…afkomstig van een Duits schip dat hier een paar dagen in de haven heeft gelegen vanwege een motorstoring…” De Groot verbaasde zich nog steeds over alle gegevens die Bertus daar had vereeuwigd. Geheimen, allemaal geheimen die de Rottumerzanders angstvallig voor de buitenwereld probeerden te verbergen. Bertus had al hun geheimen gekend en er zijn voordeel mee gedaan. Zo stond er in het bestand “Dokter Paulusma”: “Euthanasie gepleegd op: 1. Maria Pul, 2. Herman Buylenstein 3. Karel de Vries” en een eindje verder: “Huis van Paulusma geruild voor het mijne”.
Bij “Andries Pul” stond de geschiedenis van het neergehaalde Engelse vliegtuig en een verwijzing naar de bestanden “John Harris” en “Dokter Paulusma”.
De Groot werd opgeschrikt door de binnenkomst van Elsa.
“Ik wil u niet storen, maar de boot komt net binnen. We zullen Bertus gaan halen, Jan staat al voor met de auto. Gaat u ook mee?”
De Groot schudde zijn hoofd.
“Ik kom er zo wel aan. Nog even…”
Elsa fronste haar wenkbrauwen. Het zat haar niet lekker dat de inspecteur in die bestanden van Bertus zat te snuffelen, maar ze liet hem toch maar alleen en spoedde zich naar buiten.
De Groot bleef nog een kwartiertje hangen in het kantoortje. Toen stond hij op en verliet de winkel.
De boot had inmiddels aangelegd en een aantal vrolijke kinderen huppelde de loopplank af. Het was vrijdag, de Rottumerzandse schooljeugd kwam thuis voor het weekend. Er stonden enkele ouders te wachten op de kade. Ze sloten hun kroost in de armen. Een van de kinderen merkte de grote grijze wagen op, die langzaam naar de boot toe reed. De Groot kon niet goed horen wat er precies gezegd werd maar het ging ongeveer als:
“Wie is dat, mam?”
“Bertus Buylenstein, schat.”
“Joepie!” juichte het jongetje. Ook bij de jeugd was Bertus niet erg populair geweest, concludeerde De Groot.
(In werkelijkheid zei het jongetje: “Net als Joepie?” maar De Groot wist nog niet wie dat was…)
Hij wandelde naar De Swaen.
Eva Zorgstra stond net op het punt het hotel te verlaten. Ze zag er al weer wat beter uit dan aan het ontbijt.
“Goede reis,” zei De Groot. Eva grijnsde.
“U nog een prettig verblijf hier. Of gaat u ook met deze boot?”
De Groot schudde zijn hoofd.
“Nog niet. De zaak is nog niet opgelost.”
“En dat vindt u heel erg jammer, natuurlijk,” zei Eva terwijl ze knipoogde.
“Annette zit bij Hannes,” vervolgde ze. “Ze ziet er uit alsof ze wel wat aanspraak kan gebruiken. Nou, ik ga. Tot ziens, inspecteur.” Ze pakte haar tas op en liep naar de boot. Daar hees men net de vlag halfstok, ten teken dat er een lijk aan boord was.
De Groot bleef nog even kijken, tot de boot de haven uitgevaren was. Toen stapte hij naar binnen.
Hij besloot zijn vrouw te bellen. Met zijn nieuwe toestel.
Op zijn bed gezeten draaide hij het nummer. Het viel hem mee dat ze thuis was.
“Hallo, met mij. Alles goed?” zei hij.
“Alles goed. Kom je dit weekend nog naar huis?” De stem van Els klonk moe en gespannen.
“Eh…” De Groot aarzelde. Hij zou best naar huis kunnen gaan.
“Nee, ik denk het niet. Het onderzoek is nog in volle gang, zie je.” Hij had eigenlijk meteen spijt van zijn beslissing.
“Best. Dan zie ik je wel weer als je terug komt,” zei Els mat.
“Ja. Dag. Je hebt mijn nieuwe nummer, hè, voor als er iets is?”
De Groot hing op. Hij voelde zich leeg.
Hij had wel zin in een kop koffie.
De Groot ging naar de gelagkamer.
Annette zat aan de bar. Ze was in gesprek met Piet Pul, die naast haar zat. Ze hadden niet door dat De Groot achter hen stond.
“Ja, maar jij had hem toch gevonden?” zei Annette. “Dan kan je toch wel zeggen dat jij de politie hebt gebeld in plaats van Jan? Dat is toch geen geheim?”
“Dat vind ik ook, maar Jan zegt dat er helemaal geen politie van de wal aan te pas had moeten komen. Dat we het zelf wel hadden kunnen oplossen. En dat, als er al iemand naar de wal had moeten bellen, hij, als hoofdagent, dat had moeten doen. En dus doen we net alsof hij gebeld heeft in plaats van ik. Ik vind het een beetje onzin. Ik dacht dat we van dat soort vreemde manoeuvres af waren nu Bertus dood is.”
“Ja, maar, hij wil je ook beschermen, moet je maar denken, net als Elsa, die net doet of zij hem gevonden heeft. Ze willen niet dat jij verdacht wordt, snap je.”
“Waarom zou ik verdacht zijn?” vroeg Piet maar toen bemerkte hij De Groot.
“Goedendag, Piet,” zei De Groot. “Ik heb nog een lesboek van je. Van de computercursus.” De Groot ging rustig naast Piet Pul zitten.
“Je bent nogal van alle markten thuis nietwaar? Ondernemer, elektricien, fotograaf. Je bent het allemaal tegelijkertijd. Wil je iets van me drinken?”
Piet Pul sloeg een biertje niet af en De Groot begon een geanimeerd gesprek met hem, terwijl Annette stilletjes wegsloop. Net toen Piet Pul zich op zijn gemak begon te voelen, legde De Groot een arm om zijn schouder.
“Dus jij hebt Bertus Buylenstein dood aangetroffen, en niet zijn vrouw. En jij hebt ons gebeld, en niet De Vries. Hoe zit dat nou?”
Piet Pul liep rood aan. Hij keek angstig om zich heen.
“Dat… dat is een heel verhaal, meneer de inspecteur. Het eh, het heeft met Jan de Vries te maken. Met zijn ego. Hij voelde zich gepasseerd.”
“Ja, meneer Pul,” zei De Groot vriendelijk, “zo voel ik me ook.” Hij keek Piet Pul indringend aan. En toen schreeuwde hij in diens gezicht:
“Gepasseerd! Ik voel me gepasseerd! Als inspecteur, als mens, ik voel me besodemieterd! En wel door iedereen hier op het eiland. Ga het ze maar zeggen. En zeg ze ook dat ik de waarheid boven tafel wil hebben, en dat ik hier net zo lang blijf tot ik die boven tafel heb! Begrepen?”
Piet Pul knikte haastig en nam de benen. De Groot bleef nog een tijd lang aan de bar zitten staren naar de muur.
De rest van de voormiddag bracht hij door met een stevige strandwandeling. Er scheerden meeuwen boven zijn hoofd, een aantal eenden vloog in formatie over zee. De Groot snoof de frisse lucht op. Dit was de mooie kant van het eiland, de prachtige natuur, hoewel toch minder aanwezig dan op de andere Waddeneilanden. Er was net genoeg strand om een fikse wandeling te maken, net genoeg duinen om je alleen op de wereld te wanen en er stonden precies genoeg bomen om een bosje te vormen.
In dat bosje loerden op dat moment twee ogen naar de inspecteur, die nietsvermoedend een duintje beklom.
De Groot dacht aan zijn vrouw. Misschien had hij Els moeten voorstellen ook naar Rottumerzand te komen. Dan hadden ze het weekend samen door kunnen brengen. Maar hij wist wel dat het toch geen zin meer had. Zijn huwelijk was zo goed als over. Voorbij. En hij had er geen idee van hoe dat zo gekomen was.
Vanaf het duin zag hij de ruïne van het kerkje, dat de doop van Bertus Buylenstein niet had overleefd. Er was niet veel meer van over, alleen een deel van de muur met wat kapotte glas-in-lood ramen.
De Groot wilde eens een kijkje nemen. Hij wandelde het duin af en sjokte door het rulle zand.
Er viel weinig te zien. De muur bood wat beschutting tegen de koude wind en De Groot ging er even bij zitten.
Hij was nog moe van de vorige nacht. Zonder er erg in te hebben, sukkelde hij in slaap, met zijn rug tegen de oude kerkmuur.
Vanuit het bosje klonk nu geritsel. De twee loerende ogen hadden De Groot gevolgd tot aan de ruïne. Een straal zonlicht viel op de loop van een kleine revolver.
De Groot sliep zeker twee uren achter elkaar. Toen werd hij wakker van een aantal knallen, misschien een jager, en van iets nats, een vochtige tong die zijn gezicht likte. Het was Achtbaan.
De Groot klopte het dier op zijn rug.
“Braaf, jongen, braaf. Ben je er in je eentje vandoor gegaan? Waar is het vrouwtje dan?” Hij keek om zich heen, maar Annette was nergens te zien.
“Ik zal je maar thuisbrengen, hè, jongen. Kom.”
De hond volgde hem gedwee, maar toen ze bij de begraafplaats kwamen, ging hij zitten en jankte zachtjes.
De Groot liet de hond bij de ingang van de begraafplaats alleen en tuurde over de graven. Ergens, aan het eind van de dodenakker, nog voorbij de drenkelingengraven zonder naam, zag hij een bekend, rood figuurtje. Annette stond bij een graf. Ze legde er bloemen op.
De Groot hield zich schuil achter het knekelhuisje tot Annette de begraafplaats had verlaten. Ze nam de hond mee en liep richting dorp.
De Groot liep over de begraafplaats en vond al snel het graf waar Annette een bezoek aan gebracht had. Het was een tamelijk eenvoudig graf, met slechts een houten paaltje. Er stond geen naam op vermeld. Alleen een datum, 23-4-95 en een letter. J.
J. Op wiens graf met de letter J zou Annette nou bloemen leggen?
“Jack…,” mompelde De Groot. Hij kreunde. Kermisklant Jack, begraven op Rottumerzand…
Hij slenterde naar het dorp terug.

Vincent de Groot zat die avond alleen in de eetzaal van hotel De Swaen.
Hannes had hem zwijgend een bord stevige zuurkool voorgezet en was daarna weer naar de keuken gegaan, alsof hij nog veel te doen had. Van Annette was ook al geen spoor te bekennen.
De Groot las de krant die nu weer met de boot werd aangevoerd. Er was inderdaad een politiestaking, ontdekte hij.
Kon dat eigenlijk wel, dat de politie staakte? Ach, waarom niet.
Hij mijmerde nog wat voor zich uit. Hij miste Eva. Nu was hij de enige buitenstaander hier en hij voelde zich er niet erg gemakkelijk bij.
Een paar Rottumerzanders zaten aan de bar van de gelagkamer en De Groot kon hun stemmen horen, maar niet wat er gezegd werd. De stemmen klonken nogal opgewonden.
Hannes kwam weer tevoorschijn om hem het nagerecht te serveren.
“Weet jij wat er loos is?” vroeg De Groot en knikte naar de rumoerige bar. Hannes leek even te aarzelen, maar toen boog hij zich naar de inspecteur en zei:
“Er ligt van alles op het strand. Er is een deklast hout aangespoeld en een overboord geslagen container. Iedereen is aan het jutten, en die daar-” hij wees naar de bar,”-die hebben de buit al binnen. Misschien wat voor u, een beetje jutten? Over een half uurtje komt Annette om te helpen en dan ga ik ook even kijken, gaat u mee?”
De Groot dacht even na. Toen knikte hij.
“Goed. Ik ga mee. Waarschuw me maar als je zover bent.”
Zwijgend vervolgde hij zijn maaltijd. Het begon hem al wat beter te smaken dan de eerste dagen. Je moest even wennen aan de kookkunst van Hannes, maar dan viel het wel mee.
Toen Hannes zijn schort af had gedaan, stond De Groot op en volgde hem naar buiten. Hannes haalde een wagen tevoorschijn en even later ook het bijbehorende paard dat op stal stond.
Hij spande het snel in. Zwijgend nam De Groot naast hem plaats op de bok. Hannes klikte met zijn tong en het paard, een sterke, donkere Fries, begon de wagen te trekken.
Ze reden langs de begraafplaats het dorp uit.
Het weer was nu redelijk te noemen en De Groot genoot van het ritje over het strand. Na een kwartier bereikten ze de plaats waar de zee haar waren had uitgestald. Er liep nog een aantal jutters rond, druk doende met hout te versjouwen.
“Wat moeten ze toch met al dat hout?” vroeg De Groot.
“Altijd makkelijk. Voor schuttingen, schuurtjes. Niet voor de open haard, daar is het veel te nat voor. Het is trouwens sowieso te nat om meteen te gebruiken. Daarom staan al die planken bij iedereen in de schuur. Bij Bertus stond wel het meeste, dat heeft u zeker wel gezien?”
Stik, dacht De Groot, ik ben die hele schuur nog niet eens in geweest, de plaats van het misdrijf nota bene.
“De schuur van Bertus. Daar wilde ik morgenochtend nog even naar toe, ja. Als de foto`s van De Vries bij Piet Pul klaar zijn kan ik die er mooi even bij nemen.”
“O, die foto`s zijn mislukt,” zei Hannes zonder blikken of blozen.
De Groot keek hem onthutst aan, maar Hannes klakte met zijn tong om de paarden aan te sporen en begon over het jutgoed te praten.
Het was nu geheel donker maar de vuurtoren zorgde voor af en toe een streep licht. Ze naderden de inhoud van de container. De container zelf lag op zijn kant op het strand. Overal lagen plastic zakken met inhoud, leeggeroofde pallets en stukgescheurde dozen. De jutters hadden hun werk grondig gedaan. Er lag nog wel een aantal balken en planken.
Hannes sjorde samen met De Groot wat hout op de wagen.
Hij had er wel plezier in. Vincent de strandjutter, dacht hij trots. Als Els hem zo eens zou zien…
Vreemd dat hij ineens aan Els moest denken. Hij miste haar ergens.
Na een uurtje hadden ze er genoeg van. Hannes stak een sigaret op en tuurde over het donkere strand in de richting van de zee. Vincent ging naast hem staan. Hij probeerde te ontdekken waar Hannes naar keek, maar hij zag niets. Toen zei Hannes:
“Ik weet wie Bertus vermoord heeft. Kunnen we even praten?”
Vincent de Groot keek hem verbouwereerd aan.
“Je weet wàt?”
Hannes keek nog steeds strak voor zich uit.
“Het was mijn mes. Bertus is vermoord met een mes uit mijn keuken.”
De Groot zuchtte. Hannes loog. Maar waarom? Of dacht hij misschien echt dat Bertus vermoord was met een mes?
“Ik moet je iets vertellen, Hannes. Bertus is niet aan een steekwond overleden. Hij was al dood voor dat het mes in zijn rug werd gestoken.”
Hannes draaide zich verbaasd naar De Groot toe.
“Is dat zo? Maar… was hij al dood dan? Hij hing over de frettenkooi heen, ik dacht dat hij ze aan het voeren was.”
“Dus je beweert dat jij Bertus hebt neergestoken?”
Hannes haalde zijn schouders op.
“Als hij toch al dood was, kan ik net zo goed zeggen dat ik het gedaan heb. Hoe kwam het dat Bertus al eerder dood was?”
De Groot dacht hardop na.
“Dat doet er even niet toe. Maar ik ben blij dat je dit aan mij hebt verteld. Je kan nog wel gearresteerd worden wegens lijkschennis, ben ik bang. Maar niet voor moord op Bertus Buylenstein.”
“Lijkschennis… hè bah.” Hannes trok een vies gezicht.
“Ja, kom even, daarnet dacht je nog dat je een moordenaar was!”
Ze zwegen verder en stapten op de wagen. Langzaam reden ze terug naar het dorp.
De Groot had het gevoel dat hij iets moest doen. Je eigen broer een mes in de rug steken, dat was niet misselijk. Ook al was die broer dan al dood, het bleef een misdaad. Maar Hannes spande rustig het paard uit en leek zich niet druk te maken over een eventuele arrestatie.
“Kom je nog even wat drinken in de gelagkamer of ga je meteen naar bed?” vroeg hij.
De Groot verbaasde zich een beetje over de informele sfeer die er tussen hen ontstaan was. Alsof ze al jaren elkaars beste vrienden waren, in plaats van inspecteur en misdadiger, lijkschenner.
De Groot en liep achter Hannes het hotel binnen.
Het was er onverwacht druk. Annette stond achter de tap met het zweet op haar voorhoofd. Ze was zichtbaar opgelucht dat Hannes het weer van haar kon overnemen.
“Valt er iets te vieren?” vroeg De Groot. Hij ging aan de bar zitten en Annette schonk hem een biertje in.
“Ze hebben gejut en dan komen ze altijd hier bijpraten. Ik hoorde dat u met Hannes naar het strand bent geweest. Heeft u nog iets opgedoken?”
De Groot mompelde wat.
“Eh, ja, wat planken. Zeg, waarom hebben Mia en jij eigenlijk dat mes ‘s nachts uit de rug van Bertus gehaald?”
Annette liet een bierglas vallen en werd lijkbleek.
Ze zeeg netjes onderuit.
“Flauwgevallen,” constateerde Hannes die haar vakkundig weer op de been probeerde te krijgen. Een paar mannen keken nieuwsgierig toe.
De Groot dronk intussen rustig zijn glas leeg. Hij at een paar pinda’s en draaide wat met een bierviltje.
Annette kwam weer bij.
Ze liep achter de bar vandaan en De Groot volgde haar naar de keuken van het hotel waar op dat moment verder niemand meer was.
Ze ging op het aanrecht zitten.
“Ik zal u alles maar opbiechten. Wat ik weet, tenminste,” zei ze timide.
De Groot stond voor haar met zijn armen over elkaar.
“Begin maar eens met Jack, of liever, kermisklant John, zoals hij in de onderwereld bekend staat,” zei hij langzaam. “Wat weet je van hem?”
Annette keek hem onthutst aan en even was De Groot bang dat ze weer flauw zou vallen, maar ze zuchtte een paar keer diep en stak van wal.
“Dat weet u toch al? Ik heb Jack hier op het eiland ontmoet en we werden verliefd. Van de onderwereld weet ik niets af. Jack zou die dag Bertus neerschieten. Maar Elsa bedacht zich en wilde de revolver uit Jacks handen rukken. Maar Jack liet niet los.”
“En die revolver, ging die toen ook af?” vroeg De Groot. Annette keek hem een fractie van een seconde niet begrijpend aan.
“Hoe bedoelt u?”
“En werd Jack toen geraakt? Dodelijk?”
Annette aarzelde even, toen sloot ze haar ogen. Ze knikte.
“Het was een ongeluk, hij schoot zichzelf door het hart…”
De Groot schonk een beker melk voor haar in. Ze dronk het in één teug op.
“Jack had geen papieren, eigenlijk was hij illegaal, hij kwam uit Oost-Europa en heette officieel Igor. Niemand zou hem missen, daarom besloten we er geen ruchtbaarheid aan te geven.”
De Groot sprong bijna een gat in de lucht. Igor! Yes! Maar hij behield zijn kalmte.
“En toen hebben jullie hem hier op de begraafplaats begraven. Onder een grafsteen met alleen de letter “J”.” suggereerde De Groot.
Annette zweeg.
“O.K.,” zei De Groot.
“En nu dat gehannes met Bertus.”
Annette lachte zenuwachtig.
“GeHannes met Bertus. Leuk.”
“Je wilde Bertus om zeep helpen met behulp van vergiftigde hutspot.”
“Ja. Ik had het hem ‘s middags meegegeven. Maar ik wist niet dat Hannes ook van plan was Bertus die avond te vermoorden. Dus toen Piet Pul Bertus vond, had hij dat mes in zijn rug. Hannes zou u alles vanavond vertellen, zei hij.”
“Dat heeft hij gedaan. Hij stak hem in de rug, niet wetende dat Bertus al dood was.”
“Da’s kras,” zei Annette. “En het lag ook niet aan de hutspot, zei u. Waaraan is Bertus dan overleden?”
De Groot haalde zijn schouders op.
“Geen idee. Maar we zijn er nog niet. Piet Pul vond Bertus en belde de politie. Tegen ons zei Jan de Vries dat Elsa hem ‘s avonds had gevonden. Wat hadden jullie willen doen als Piet hem nou eens niet als eerste had gezien?”
“Hannes vertelde wat hij gedaan had en ik dacht dat het eerder mijn schuld was gezien de hutspot. Ik heb Hannes trouwens nog niet verteld dat ik dat gif uit zijn keuken heb gehaald. We besloten net te doen alsof Bertus een natuurlijke dood was gestorven. Mijn grootvader dokter Paulusma stemde toe een overlijdensverklaring te schrijven waarin zou staan dat Bertus aan een hartaanval was overleden, maar hij werd ziek. Bovendien belde Piet, die als enige van niets afwist, met de politie, zodra hij Bertus ‘s ochtends had gevonden. Dat stuurde onze plannen in de war. We wilden het toen op een roofmoord laten lijken, maar het mes van Hannes zou in zijn richting kunnen wijzen, dus hebben Mia en ik dat ‘s nachts uit het knekelhuisje opgehaald. Hoe wist u dat eigenlijk?”
“Ik heb het gezien. Door het raampje.”
“Maar waarom zei je dan niets, Vincent?” vroeg Annette zacht en voor hij er erg in had, had ze haar armen om hem heen geslagen en kuste ze hem vol op de mond.
“Ho, ho. Wacht even, rustig aan,” protesteerde De Groot, maar hij duwde haar niet weg.

Het was een mooie, zonnige herfstochtend op het eiland Rottumerzand. Twee kleine visserscheepjes lagen rustig in het haventje te dobberen, naast de reddingboot en het bergingsvaartuig.
Over de kade liepen oude mannen in de richting van het hotel. Kinderen speelden en meeuwen vlogen krijsend over de daken van het kleine dorpje. In de verte stak de vuurtoren hoog boven het duin uit.

Alles leek vredig en gelukkig, vond Vincent de Groot, die vanuit zijn hotelkamerraam een prima uitzicht had. Hij klemde de zaktelefoon met zijn schouder tegen zijn oor terwijl hij zich in zijn overhemd probeerde te wriemelen.
De Groot legde de telefoon neer en kleedde zich aan. Hij dacht aan de gebeurtenissen van de afgelopen dagen. Er was veel gebeurd. Bertus Buylenstein was dood aangetroffen en niemand sprak de waarheid. Hij had een hoop tijd verdaan met het zoeken naar de moordenaar. Maar na dit telefoontje vond De Groot die Buylenstein ineens minder belangrijk. Van veel meer belang was het feit dat hij Igor had opgespoord. Hij kon eigenlijk niet wachten om zijn commissaris verslag te doen, maar hij besloot dat toch nog even uit te stellen, om zeker van zijn zaak te zijn.
Fluitend knoopte hij zijn stropdas, zijn laatste verjaardagscadeautje van Els. Hij was blij dat hij Annette tenslotte toch met lichte dwang had weggestuurd. Een romance zou de zaak alleen maar slecht doen. En misschien had hij hier een zaak die zijn carrière een flinke duw voorwaarts zou geven. Bovendien had Annette een lichte overbite die hem opeens irriteerde. De Groot was nu vijfendertig jaar en al twaalf jaar bij de politie. Dit was nog maar zijn derde moordzaak als inspecteur. De twee vorige zaken waren simpel en gewoon triest geweest. Moorden waren niet prettig om te onderzoeken, er waren altijd verdrietige mensen mee gemoeid. Toch had hij een voldaan gevoel gehad als hij een verdachte naar het bureau kon brengen. Maar deze zaak was wel even iets anders. Niet in het minst omdat hij alles alleen moest doen nu zijn collega naar het ziekenhuis was afgevoerd voor een blindedarmoperatie en de technische recherche nog steeds niet kon komen.
De Groot keek in de spiegel boven de wastafel en kamde zijn haar. Hij zag er perfect uit.
Neuriënd snelde hij de trap af om te gaan ontbijten.
Hannes zette hem een kan met koffie voor.
“Goed geslapen?” informeerde hij terwijl hij de inspecteur een kop inschonk.
“Buitengewoon, ja. Ik ga zo eens even bij Elsa Buylenstein een kijkje nemen in haar schuur. Als het goed is verwacht ze me. Ik heb wat nieuws voor haar. Zeg, kende jij die Jack waar Annette een tijdje geleden mee omging? Een Oost-Europees type. Hij was de eigenaar van die hond van haar, die nu Achtbaan heet.”
Hannes krabde zich achter de oren en keek nadenkend om zich heen.
“Jack? Ja, natuurlijk wel. Beetje raar type. Hoezo?”
“Annette heeft me verteld wat er gebeurd is. Hij heeft zich elf in het hart geschoten, zoals je weet. Ja, kijk maar niet zo, ze heeft me alles van jullie aanslagpoging verteld. Weet je wel dat Jack eigenlijk een enorme crimineel was? Een huurmoordenaar? Geen kleine jongen, hij werd in heel Europa gezocht. Ik zal straks even bellen met de commissaris, en ik denk dat hij hier heel gelukkig mee zal zijn. Die Jack, of Igor, zoals hij eigenlijk heette, had totaal geen geweten. Levensgevaarlijk individu. Waar ga je nou heen, Hannes? Hannes?” Maar Hannes had zijn schort neergegooid en was al door de buitendeur verdwenen.
De Groot haalde zijn schouders op en stortte zich op het ontbijt.
Toen hij klaar was, verscheen De Vries in de deuropening.
“Bent u zover, inspecteur? Ik heb Elsa gezegd dat we even langskomen.”
De Groot stond op. Ze verlieten het hotel en De Groot vertelde intussen enthousiast over de Oost-Europese crimineel die er op de begraafplaats lag. De Vries werd een tintje bleker.
“Jack? Een huurmoordenaar? Ik dacht dat hij alleen maar illegaal was.”
De Groot keek hem vorsend aan.
“En dan laat jij hem gewoon rondlopen. Illegaal en al. Hoe ben jij eigenlijk politieagent geworden, De Vries? Via een schriftelijke cursus of zo?”
De Vries zweeg beledigd. Hij frunnikte nerveus aan zijn uniformknopen.
Ze belden aan bij Elsa, die hijgend van het achterplaatsje kwam gerend.
“Goedemorgen. Ik ben net met het schuurtje bezig, ik dacht,laat ik het eens goed boenen, dan kan de inspecteur op zijn gemak rondkijken. Het was toch zo’n smeerboel, ik dacht,…”
De Groot glimlachte vriendelijk en zuchtte diep.
“Dus u heeft alles maar schoongepoetst. Handig hoor. Nou ja, laat maar zien dan.”
Elsa ging hen voor naar het schuurtje waar Bertus zijn laatste adem had uitgeblazen.
Tot de verbazing van De Groot stond Piet Pul daar met twee emmers sop mee te helpen de schuur toonbaar te maken.
“Hebben jullie nooit gehoord van bewijsmateriaal? Van vingerafdrukken om mijn part? Laat maar zitten ook. Hier is Bertus Buylenstein dus gestorven. Het ziet er spic en span uit, mevrouw Buylenstein. Daar heeft u zeker behoorlijk wat werk aan gehad?”
“Ach, dat viel wel mee,” zei Elsa bescheiden. “En Piet heeft me geholpen.”
De Vries kreunde licht. Hij probeerde met gebarentaal de aandacht van Elsa te trekken zonder dat De Groot het zag, maar Elsa snapte hem niet.
De Groot werd steeds vrolijker.
“Heb ik jullie al verteld dat ik vanmorgen vroeg werd gebeld door mijn onvolprezen collega Wiebrink?”
Elsa, De Vries en Piet Pul keken elkaar verbaasd aan.
“Wie?” vroeg De Vries.
“Wiebrink. Hij heeft ervoor gezorgd dat Bertus meteen naar de patholoog anatoom kon.”
“De wat?” vroeg Piet Pul.
“De arts die onderzocht heeft hoe Bertus aan zijn eind is gekomen. Hij was er al snel achter. Hartaanval,” zei De Groot langs zijn neus weg.
“Wat? Wat zegt u nou?” Elsa sloeg haar handen voor haar mond.
“Bertus Buylenstein, oud tweeënzeventig jaar, is gestorven aan een hartaanval terwijl hij zijn fretten verzorgde. Niks moord.”
“Niks moord?” stamelde De Vries. Elsa zocht steun bij Piet Pul.
“Een hartaanval?”
“Yes. Een hartaanval. Het mes dat later in zijn rug werd geplaatst heeft hem hoegenaamd niet meer gedeerd. Hij was allang overleden. Net als zijn fretten die van de vergiftigde hutspot hadden gegeten.”
“Dus de zaak is opgelost?” vroeg De Vries. “En nu? Gaat u nu iemand arresteren of zo? Ik bedoel, er is dus geen moord gepleegd, dus hoeft u zeker ook niemand te arresteren?”
De Groot keek hem lang aan.
“Jongen, ik zou het hele eiland wel eens willen ondervragen over van alles en nog wat, maar ik doe het niet. En ik arresteer ook niemand. Want weten jullie wat het mooiste is? Dat Kermisklant John, ook wel bekend als Jack, hier ligt begraven. Hier, op Rottumerzand. Is dat niet geweldig? Daar valt dat gedoe met dat mes toch bij in het niet. Laten we zeggen, iemand heeft in een vlaag van verstandsverbijstering een mes in het lijk geplant. Daar kunnen we toch niet echt een zaak van maken? Of wel?”
“Nee, nee, natuurlijk niet. Doe maar niet. Zoiets is niet belangrijk. Kan gebeuren. Het was trouwens niet Hannes die gestoken heeft. Dat zei hij maar om iemand te beschermen.”
De Groot werd een beetje kribbig. Nu had Hannes weer gelogen.
“Hoe het ook zij, vooralsnog is de zaak Buylenstein geen moordzaak meer. De zaak Bertus Buylenstein is dus gesloten wat mij betreft.”
De Groot voelde zich opperbest.
“Hoe weet u zo zeker dat Jack dood is? En hier begraven ligt?” vroeg Elsa voorzichtig.
“Ik heb het graf gezien, een anoniem graf met de letter “J”, bovendien heb ik alle informatie uit Annette kunnen trekken. Ze heeft me verteld van jullie plannen om Bertus te vermoorden. En dat Jack dat zou doen. En ook hoe jij, Elsa, dat nog net wist te voorkomen.”
“Ja, dat is wel waar, we vonden het eigenlijk geen van allen zo’n goed plan maar Jack wilde met alle geweld schieten. Hij schoot graag, als hobby, in het duin. Maar hoe komt u er nou bij dat Jack dood zou zijn? En hier begraven ligt? Dat graf met de letter “J” is het graf van de oude Cocker Spaniël van Annette, die ik in april per ongeluk met mijn fiets heb doodgereden en die eigenlijk niet op de begraafplaats mocht worden begraven. Maar omdat ze zo dol was op haar Joepie hebben we dat toch gedaan…”
De Groot keek haar even sprakeloos aan.
“Joepie? Maar, toen je het wapen uit de handen van Jack wilde grissen, ging het toch af?”
“Helemaal niet,” zei Elsa stellig.
“Het wapen viel op de grond en Jack vloekte en heeft een fles whisky achterover gegooid omdat hij wat gefrustreerd was. Hij wilde Bertus zo graag naar de andere wereld helpen. Hij heeft dat mes ook in Bertus’ rug gestoken, dat mag u nu ook wel weten nu de doodsoorzaak een hartaanval blijkt te zijn. Jack is een bloeddorstig type, vrees ik. Ik heb Annette al een paar keer gewaarschuwd. Ze wilde de verkering eigenlijk ook al uitmaken. Ze is niet meer zo verliefd op hem. Ik denk dat ze dat verhaal dat Jack hier begraven ligt, verzonnen heeft om hem te helpen. Naar een dode gaat niemand meer zoeken. Maar hij is voor geen meter dood. Tenminste, gisteren leefde hij nog toen hij met Annette naar de vuurtoren ging. Daar houdt hij zich namelijk schuil tot hij u weg bent en hij niet meer gevaar loopt als illegaal. Annette is trouwens nog niet teruggekeerd uit de toren. Ze blijft er wel vaker een nachtje slapen, maar om deze tijd is ze toch meestal wel in het hotel om de ontbijtboel af te wassen.”
De Groot stond een paar seconden perplex. Hij had alles verkeerd gezien. Hij had Annette helemaal verkeerd verhoord, zijn eigen fantasie was op hol geslagen. De brave burgers van Rottumerzand hadden in hun onnozelheid een gewetenloze huurmoordenaar asiel verschaft zonder de gevaren te beseffen. En het was zijn schuld dat Annette nu met hem in de vuurtoren zat.
Hij realiseerde zich dat hij snel moest handelen.

De Groot verkeerde in paniek. Hij rende de straat op, met De Vries in zijn kielzog. Pas bij het hotel minderde hij vaart.
“Ik moet iets doen, De Vries. Ik moet Annette uit de handen van die smeerlap zien te krijgen.” De Groot pakte zijn telefoon. Hij belde naar het hoofdbureau.
“Geef me meteen de commissaris,” zei hij terwijl zijn hersens op volle toeren werkten. Intussen waren Elsa en Piet Pul ook gearriveerd. En de andere eilandbewoners begonnen nieuwsgierig samen te drommen. Elsa vertelde hen wat er aan de hand was.
“Commissaris? Met Vincent. Ik heb dringend versterking nodig. Ik heb Igor gevonden. Ik weet precies waar hij zit, namelijk hier op Rottumerzand, in de vuurtoren. Maar het lijkt er op dat hij in gezelschap is van een jonge vrouw, die hij misschien als gijzelaar gaat gebruiken als hij in het nauw wordt gedreven, dus moeten we voorzichtig aan doen…”
De Groot legde alles uit aan de commissaris en rende onderwijl in de richting van de vuurtoren.
“Dus die Buylensteen…,”
“Buylenstein,” verbeterde De Groot.
“Die is dus niet vermoord? En Igor heeft een mes in zijn rug geplant, maar toen was hij al dood? En op Rottumerzand wisten ze niet dat Igor zo’n zware crimineel was? Ze wilden alleen maar een illegaal helpen onder te duiken? Dat beweer je toch allemaal, De Groot? Dat heb ik toch goed begrepen? Wat hijg je trouwens?”
De Groot hield halt en zuchtte.
“Stuur versterking. Met een helikopter. We hebben geen tijd meer te verliezen…”
Hij duwde de antenne van zijn telefoon resoluut naar beneden.
De Vries riep dat hij naar huis ging om zijn dienstpistool te zoeken en rende weer weg. De Groot had er weinig vertrouwen in dat De Vries daadwerkelijk terug zou komen.
De vuurtoren stond aan de oostkant van het dorp. Het was een grijs, veertig meter hoog gevaarte. De toren moest het sinds een paar jaar doen zonder vuurtorenwachter, het licht werd automatisch geregeld met een computer.
Op een meter of honderd van de vuurtoren verwijderd, gebaarde De Groot naar de Rottumerzanders, die hem in optocht waren gevolgd, dat ze niet dichter in de buurt moesten komen. Deze klus moest hij alleen opklaren…
De Groot liet zich achter een klein duintje vallen. Hij tuurde omhoog om een glimp van Annette of Igor op te vangen maar er was niets te zien. Het eiland lag er doodstil bij, alleen een eenzame meeuw vloog klagend hoog door de lucht.
De Groot vroeg zich af of Igor hem had gezien.
Als hij nou geluk had, was de deur van de vuurtoren niet afgesloten en kon hij naar boven klimmen. Maar wat als de deur op slot zat?
De Groot sloop zo voorzichtig mogelijk verder. Hij tastte naar zijn dienstwapen en prees zich gelukkig dat hij dat niet was vergeten.
Het laatste stukje rende hij vooruit. Hij drukte zich tegen de muur van de toren en schuifelde langzaam in de richting van de deur, waar Achtbaan zachtjes jankend de wacht hield.
Daar aangekomen, duwde en trok De Groot beurtelings aan de deurkruk, maar de deur zat op slot. Hij vloekte stevig.
“Misschien kunt u dit wel gebruiken,” zei een stem achter hem. Het was Piet Pul, met in zijn hand een sleutel.
“Ik moet weleens op de toren zijn om een storing te verhelpen, vandaar,” glunderde hij. “Ik doe ook het aggregaat en zo.”
De Groot griste de sleutel uit zijn hand.
“Maak dat je wegkomt, snel!” siste hij tussen zijn tanden. “Het wordt hier gevaarlijk.”
Piet Pul deinsde verbouwereerd achteruit.
De Groot wriemelde zenuwachtig met de sleutel in het slot. De deur schoot open. Even zag De Groot helemaal niets, de toren was van binnen duister en koel. Toen zijn ogen enigszins aan de duisternis gewend waren, ontdekte hij de spiraalvormige trap. De trap was smal, met uitgesleten stenen treden.
De Groot spitste zijn oren, maar hoorde alleen de meeuw nog steeds krijsen.
Voorzichtig begon hij de trap te beklimmen. Honderdentwee treden, had John Harris hem ooit verteld.
De Groot sloop steeds hoger en hoger. Hij had een lichte vorm van hoogtevrees en durfde niet goed achterom te kijken. Met zijn revolver vooruit gericht naderde hij het einde van de trap…
Opeens voelde hij dat er iemand achter hem aan kwam. Hij drukte zich stijf tegen de klamme muur en draaide zich in één beweging om, zijn revolver richtend op de trap achter hem.
“Rustig maar,” zei de stem van Hannes zacht. “Ik ben het.” Hij zwaaide met een oud en roestig wapen. “Nog van John. Uit de oorlog.”
De Groot vroeg zich af of hij Hannes niet weg moest sturen maar eigenlijk kon hij wel wat hulp gebruiken. Bovendien werd hij te duizelig van het naar beneden kijken om helder te denken. Hij gebaarde Hannes dat deze hem moest volgen.
De trap eindigde met een deur, die toegang gaf tot de verdieping waar vroeger de vuurtorenwachter zijn blik over de zee liet gaan. De sterke lamp stond een verdieping hoger.
De Groot en Hannes stonden beide met hun wapen in de aanslag. De Groot knikte en trapte woest de deur open. De Groot sprong naar binnen en hoopte dat hij Igor verrast had.
Maar Igor stond bij het geopende raam, met Annette. Hij had haar stevig in een soort houdgreep vast en hield een revolver op haar gericht. Annette keek De Groot angstig aan.
“Wees welkom in mijn toren,” zei Igor grimmig. Hij had een wit, pokdalig gezicht en vette zwarte haren. De Groot kende het gezicht van opsporingsfoto’s.
Dit was dus de man die zoveel doden op zijn geweten had. Hoewel, geweten? Zou hij wel een geweten hebben? De Groot dacht aan het dossier dat over Igor de ronde deed. Ooit was hij een vrolijke kleuter geweest, maar toen stierven zijn ouders en werd hij grootgebracht in een vreselijk tehuis. Hij was dat tehuis ontvlucht toen hij veertien was, en sindsdien had hij al rovend en moordend zich in leven weten te houden. De Groot kon niet helpen iets van medelijden te voelen. Igor was niet de enige schuldige aan alle ellende die hij had veroorzaakt. Zijn beroerde opvoeding had er wel degelijk mee te maken, De Groot wist maar al te goed hoe gelukkig hij zich mocht prijzen dat de ouders van Els hem destijds in huis hadden genomen. Anders was het met hem misschien net zo gegaan als met Igor, die dat geluk niet had gehad. Maar welke rechter zou dáár rekening mee houden, bij zó`n zware crimineel?
Terwijl hij dit in een fractie van een seconde bedacht, gebaarde Igor dat hij zijn wapen moest laten vallen.
“Anders schiet ik Annette neer,” verzekerde hij.
De Vries dacht niet lang na. Igor had Annette en vooral hem allang kunnen doodschieten, maar hij had het niet gedaan. Waarom niet? Er was maar één logische verklaring voor…
“Gooi hierheen, die revolver!” beval Igor nogmaals. De Groot grijnsde.
“Dus je hebt geen kogels in dat wapen. Teveel in de duinen geoefend, zeker. Laat Annette meteen los!”
Igor duwde Annette aan de kant en probeerde langs De Groot naar de deur te rennen maar De Groot loste een schot. De kogel schampte het been van Igor. Met een kreet van pijn liet hij zijn wapen vallen. De Groot raapte het snel op. Inderdaad zaten er geen kogels in de revolver. Hij had goed gegokt. Hij ontfermde zich over Annette, die geschokt in een hoekje zat. Maar het was nog niet voorbij.
Igor strompelde naar de deur en wilde de trap af gaan maar Hannes, die zich niet had laten zien, probeerde hem tegen te houden.
“Halt of ik schiet!” riep Hannes manmoedig. Op dat moment stormde Achtbaan echter naar binnen en vloog Igor aan.
Igor duwde de hond weg. Achtbaan stootte tegen Hannes waardoor Hannes zijn evenwicht verloor en hij het roestige schietijzer uit zijn handen liet vallen. Igor bedacht zich geen seconde, raapte het ding op en richtte het op Hannes.
“Naar binnen, schiet op!” siste hij.
“Pas maar op met dat ding, als ie afgaat, ontploft ie,” waarschuwde Hannes.
“Opschieten! Naar binnen.”
Met Hannes als gijzelaar stapte Igor weer binnen.
“Geef dan nu je wapen maar hier,” zei hij tegen De Groot. Dit keer zag De Groot geen andere uitweg. Hij gooide zijn revolver op de vloer en Igor raapte het snel op. Annette aaide Achtbaan.
“Zo, inspecteur De Groot. Wat fijn u weer eens te zien,” zei Igor, die vrijwel accentloos Nederlands sprak, met een licht Groningse tongval, terwijl hij zijn been zo goed en zo kwaad als het ging probeerde te verbinden met een strook van zijn overhemd, en met zijn andere hand zijn gijzelaars onder schot hield.
“Ik heb anders nog niet de eer gehad,” zei De Groot.
“O, jawel hoor. Ik heb u al een paar keer bijna neergeknald, weet u dat. Met Malle Klazen, en een keertje toen u in de duinen lag te maffen. Helaas kwam er steeds iets tussen, zoals die schipbreuk, en die John Harris, en die stomme hond…,” -Achtbaan gromde gevaarlijk- “… die niet bij u weg te slaan was. Maar dit keer gaat u er toch echt aan.”
Op dat moment schoot het noodverband los en onwillekeurig trok het Igor’s aandacht.
De Groot profiteerde hiervan en nam een gigantische sprong. Voor Igor er goed en wel erg in had, dook De Groot uit het raam. Hij hoopte dat Annette en Hannes nu kans zouden zien te ontsnappen.
Hij kwam terecht op de smalle richel die om de toren heen liep. De richel was zo’n dertig centimeter breed met een smal opstaand randje. Daaronder gaapte de afgrond.
De Groot schuifelde, met zijn rug tegen de torenmuur aan, voetje voor voetje uit de buurt van het openstaande raam. De vuurtoren had rondom glas, één groot raam eigenlijk, waardoor de vuurtorenwachter destijds zicht had over het hele eiland, de Noordzee en de Waddenzee. Gelukkig kon er maar één raam open en was de rest van zulk gepantserd glas gemaakt, dat Igor met geen mogelijkheid zijn kogels erdoor kon krijgen.
Dat hij dat probeerde, kon De Groot goed horen. Hij telde de schoten die boven zijn hoofd afketsten op de ruit… Vier. Dat betekende dat er nog twee kogels in zijn dienstwapen zaten. En dan had Igor natuurlijk nog de beschikking over dat moordtuig van Harris.
De Groot probeerde over de rand te kijken maar sloot meteen zijn ogen. Bijna veertig meter tot de grond, en hij stond op een richeltje, nog smaller dan zijn voeten lang waren…
Hij had er geen idee van wat er boven in de toren allemaal gebeurde. Af en toe hoorde hij gegil en gestommel. Het leek wel op een vechtpartij. Ook hoorde hij schoten, drie in totaal. Blijkbaar had nog iemand geschoten. Of was het het moordtuig van Hannes?
De Groot probeerde zijn hachelijke situatie te verbeteren. Een eindje verderop was een bliksemafleider bevestigd met een stevig uitziend stuk ijzer. Als hij zich daar aan vast kon houden kon hij misschien wat meer beginnen. In ieder geval had hij dan wat houvast. Hij was er zich van bewust dat Igor iedere beweging die hij maakte, kon zien. Hij zou alleen ongezien verder kunnen gaan als hij zich zo’n veertig centimeter kleiner kon maken.
Net toen hij zich afvroeg hoe hij dat zou moeten doen, want bukken durfde hij niet, slipte hij over wat vogelpoep… Hij voelde hoe hij uitgleed en in de diepte dreigde te storten…
Met alle moed die hem nog restte greep hij zich ergens aan vast. Toen hij zijn ogen open deed, bleek dat hij met zijn handen aan de rand van de richel hing. Zijn benen zwiepten boven de vreselijke diepte…
De Groot zag zijn jeugd aan zich voorbijtrekken. Dit is het einde, besefte hij toen hij bij zijn heilige communie was aangekomen.
Toen vermande hij zich. Misschien was er nog redding mogelijk.
Als hij één hand los liet kon hij die een eindje verder weer neerzetten. Maar dan hing hij wel een seconde of wat met slechts één hand aan de richel.
De Groot verschoof zijn linkerhand. Het ging! Langzaam maar zeker werkte hij zich in de richting van de bliksemafleider. Het voordeel was, dat Igor hem zo niet kon zien.
Intussen hoorde hij de Rottumerzanders beneden hem roepen dat hij vooral vast moest blijven houden. Dat leek De Groot ook maar het beste.
Hij bereikte de bliksemafleider. Er stak een stevig stuk ijzer uit de muur van de toren waaraan de bliksemafleider was bevestigd en De Groot paste er precies tussen. Hij kon even opgelucht ademhalen toen hij daar eindelijk zat, maar zijn opluchting was van korte duur. Onder hem gaapte nog wel veertig meter diepte.
Bovendien begon het ijzer een beetje te buigen. De Groot bedacht zich geen moment. Hij moest weer iets anders verzinnen. Snel knoopte hij zijn stropdas los en bond deze onder zijn oksels. Hij legde een er een lus in en haakte die aan de uitstekende schroef van het ijzer in de torenmuur. Net op tijd, want met een knal brak het ijzer ineens door midden. De bliksemafleider, die op nog meer plaatsen vastzat, zwiepte los maar stortte niet neer. De Groot hing nu aan zijn stropdas.
Gelukkig kocht Els altijd degelijke waar… En flink lange stropdassen.
Op dat moment ging de telefoon. Een hinderlijk knerpje. De Groot kon met veel moeite het apparaatje uit zijn broekzak tevoorschijn halen.
“Met De Groot,” zei hij netjes, hoewel het angstzweet hem uitbrak.
“Schat, met mij,” zei Els.
“Hé, Els, je belt op een beetje moeilijk moment. Kan het wachten?” vroeg De Groot beleefd.
“Nee! Het kan niet wachten, ik heb al veel te lang gewacht.”
O, jee, nou krijgen we het, dacht De Groot, nou ja, ik kan me nog altijd laten vallen als het te erg is.
“Ik had het je al veel eerder willen vertellen, maar ik weet dat je geen kinderen wil en nou heb ik morgenochtend een afspraak in een abortuskliniek maar ik vond dat je het toch moest weten,” ratelde Els aan één stuk door.
“Wacht nou toch even, hoe kom je erbij dat ik geen kinderen wil? En wat bedoel je met “abortuskliniek”, dat is toch voor als je ongewenst zwanger… ZWANGER!”
Van schrik schoot De Groot bijna uit zijn stropdas.
“Wil je ze wèl dan? Kinderen?”
“Ja, ja natuurlijk wil ik ze wel. Graag zelfs. Dus je bent in verwachting? Was je daarom zo… zo…”
“Strontvervelend. Ja. ik geef het toe, ik was bang dat je woedend zou zijn, ik dacht dat jij nooit kinderen wilde, dat heb je vorig jaar toch gezegd, toen we een week moesten oppassen op het zoontje van…”
“Dat was dan ook een etterbak! Maar dat bedoelde ik toch niet echt!”
“O, schat, wat ben ik blij dat ik je gebeld heb! We moeten gauw alles eens bepraten. Waar ben je nu mee bezig?”
De Groot keek naar de diepte onder hem. Zijn voeten bengelden hulpeloos in de lucht.
“Ik eh, ik waai wat uit op Rottumerzand, schat. Ik hang hier maar wat rond, eigenlijk. Ik heb trouwens nog veel plezier van de stropdas die je voor mijn verjaardag hebt gekocht.”
“Staat ie je goed?” vroeg Els.
“Wat zal ik zeggen, hij geeft me echt iets zwierigs…”
“Fijn. Nou, dan zie ik je wel weer gauw. Doei!” zei Els en hij hoorde nog wat zoengeluiden. Hij smakte eveneens met zijn lippen. Els hing op.
De Groot kreeg een idee. Nu hij die telefoon toch bij de hand had, kon hij er beter maar gebruik van maken ook. Hij draaide het nummer van het bureau in Groningen. Hij werd doorverbonden met de commissaris.
“De Groot? Hou nog even vol, jongen! Er is hulp onderweg.”
“Hoe weet u nu…”
“Ze hebben gebeld vanaf Rottumerzand. Dat je aan de toren bungelt. Wat is het laatste nieuws aan jou kant?”
“Nou, ik word vader.”
“Zeg, De Groot, dit is echt niet het moment om lollig te doen. Je bevindt je in een uitermate benarde positie. Weet je al dat Igor is gearresteerd?”
“Wàt? Hè, verdorie, dat had ik zelf willen doen. Hoe is het gebeurd?”
“Ja, weet ik veel, ene Hannes en agent De Vries, die hebben hem overmeesterd. Maar dat vertel ik je later wel. We moeten eerst eens zorgen dat je van die toren af komt. Zie je de helikopter al?”
“Helikopter? Nee, niets. Wacht even, nou je het zegt. Heel ver weg, ja. Ik kan hem nou ook horen. Ik hang dan maar op. Tot ziens.”
De Groot stopte de telefoon in de binnenzak van zijn colbert en keek verwachtingsvol naar de naderende helikopter.

De Groot was blij weer vaste grond onder zijn voeten te voelen. De wieken van de helikopter stopten met draaien en de piloot stapte uit. Ook Wiebrink was van de partij, en nog wat ME-ers, die volledig in uitrusting de toren omsingelden.
“Hé, jongens, dat is niet meer nodig, Igor is al gepakt,” riep Wiebrink hen na terwijl hij De Groot ferm beide handen schudde.
“Dat waren even angstige momenten, De Groot.”
“Kun je wel zeggen, ja. Vooral toen ik me aan die ME-er moest vastgespen. Doodeng.”
Ze liepen naar het dorp, met in hun kielzog Hannes, De Vries en een nog bibberende Annette en de Rottumerzanders die de hele actie hadden gevolgd. Bij hotel De Swaen gingen ze naar binnen. De Groot kreeg eerst een flink glas cognac voor de schrik en toen wilde hij het fijne van de arrestatie van Igor wel eens weten.
“Nou, kijk, toen jij dus daar aan die richel hing…,” begon Wiebrink.
“…te niksen,” vulde Hannes vriendelijk aan.
“Te niksen. Toen is agent De Vries naar boven gegaan en heeft, samen met Hannes, Igor kunnen aanhouden. Na een kleine vechtpartij, overigens. Hij schoot twee keer mis en toen schoot De Vries vlak over zijn hoofd heen. Daar werd hij goed benauwd van. En hij gaf zich vervolgens over.”
“Waar is Igor nu?” vroeg De Groot na de eerste slokken van de cognac.
“In de politiecel. Hij zal zo naar Groningen worden overgebracht met de helikopter. En intussen heb ik nog wel wat vraagjes voor jou, De Groot…”
“Dat kan vast wel wachten, Wiebrink. Vandaag wil ik even bijkomen, als je het niet erg vindt…”
Wiebrink knikte. De Groot bestelde een rondje voor iedereen dat met gejuich werd ontvangen.
“Ik heb tenslotte iets te vieren. Niet alleen heb ik Igor gevonden, en dat overleefd, maar ik word ook nog eens vader!” Weer gejuich.
Annette maakte zich los van Mia, die een arm om haar heen had geslagen, en liep op De Groot af. Ze gaf hem een zoen, wat weer reden tot gejuich gaf.
“Ik ben zo blij dat alles goed is afgelopen. Toen je daar aan die richel hing, ik had het niet meer.”
“Mijn stropdas heeft me gered. Maar hij is wel een metertje langer geworden,” zei De Groot en keek quasi spijtig naar zijn das, die op de bar lag.
“Je krijgt van mij een nieuwe.” zei John Harris. “Een mooie oranje. Of heb je liever paars?”
Op dat moment stapte een jongeman het hotel binnen. Hij had een gladgeschoren gezicht en keek goedwillend naar het vrolijke gezelschap. Hij liep op Hannes af.
“Ik ben gestuurd door de Hervormde synode. Ze hebben besloten de kerk weer op te bouwen en ik word de nieuwe dominee.”
Even leek het erop dat de uitgelaten Rottumerzanders de nieuwbakken dominee op hun schouders zouden nemen, maar Hannes maande ze tot kalmte. Hij loodste de jongeman naar een tafeltje en legde de reden voor de feestvreugde uit.
“Ben je kwaad op me omdat ik Jack, ik bedoel Igor, wilde verbergen?” vroeg Annette aan Vincent, toen iedereen druk bezig was de glazen te vullen. Vincent aaide Achtbaan over zijn kop.
“Ach, kwaad is het woord niet. Je wist natuurlijk ook niet dat je met een zware crimineel te maken had. Ik denk dat je geen problemen in de rechtszaal zult tegenkomen. Maar ik weet nog steeds niet waarom je Bertus wilde vermoorden.”
“Rechtszaal? Moet ik daar heen?”
“Dat zit er wel in, ja. Maar maak je maar geen zorgen, voor het voorliegen van een politie-inspecteur en het verbergen van een huurmoordenaar, alsmede een poging tot moord met behulp van vergiftigde hutspot…”
“Dat was trouwens geen rattengif wat Annette gebruikt heeft. Het was mijn speciale kruidenmix,” kwam Hannes tussenbeide terwijl hij De Groot inschonk. “Zelfs de fretten zijn er niet aan gestorven. Ik hoorde net dat ze al dagen doodziek waren, lang voor Bertus ze die hutspot voerde.”
“Voor het voorliegen en verbergen dus,” ging De Groot verder, “krijg je tegenwoordig maximaal maar vier jaar cel, hoor.”
Annette werd bleek en even zag het er naar uit dat ze weer flauw ging vallen maar De Groot knipoogde en zei:
“Grapje. Voor zover ik het kan bekijken is er niemand op Rottumerzand die bang hoeft te zijn voor rechtsvervolging.” Wiebrink knikte instemmend.
Hierna vertelde Annette de reden van haar poging Bertus te vermoorden.
“Hij wilde Jack aangeven,” zei ze eenvoudig.
Iedereen had inmiddels een vol glas en er werd getoost. De Groot merkte dat zijn handen trilden.
“Het heeft je aardig aangegrepen, De Groot. Ik denk dat je er maar eens een tijdje tussenuit moet. Neem je vrouw maar een paar dagen mee naar Terschelling,” zei Wiebrink.
“Doe ik!” zei De Groot enthousiast.

Een paar uur later verliet de veerboot het haventje van Rottumerzand. De Groot stond aan dek. Hij zwaaide naar de eilanders, die allemaal op de kade stonden, zelfs een dik aangeklede dokter Paulusma, die op het punt stond bij Elsa in zijn oude woning in te trekken.
Ik zal ze missen, dacht De Groot.
Hij keek naar Piet Pul, met de draagbare telefoon die De Groot gehuurd had, nog in zijn hand. En naar Hannes, die naast John stond te zwaaien. En Mia en De Vries. En Annette en Elsa. En de nieuwe dominee die wat onwennig wuifde, terwijl hij zijn ogen niet van Annette kon afhouden.
En al die andere mensen die hij de afgelopen dagen had leren kennen.
Achtbaan rende enthousiast kwispelend de pier uit en blafte naar Vincent.
De boot voer langzaam verder, de figuurtjes op de kade werden kleiner.

EINDE
Terschelling
november 1995-oktober 1996


By on 11:19
De Vergeten Farao Proloog

Proloog

Vanuit de oase waar de Nubiërs in hun rieten hutjes woonden, klonken opgewonden stemmen. Vizier Anchoe zuchtte. Het zag er weer naar uit dat ze zijn raad dringend nodig hadden. Hij stond op van de rode rots waar hij zijn maal had genuttigd en wachtte de delegatie uit het dorp op.
Sinds de farao hem uit Thebe had verbannen, bracht hij zijn tijd hier door in de woestijn. Hij, de grote vizier Anchoe, uit een vermaard viziersgeslacht. En dat allemaal omdat hij de ineenstorting van de piramide van deze farao had voorspeld, en de ondergang van zijn dynastie. Hoe wreed kon het lot zijn… het leven in de woestijn was hard, weinig voedsel en onaangename hitte. Hij mocht nog van geluk spreken dat hij dat oude farao graf had gevonden, vlak bij de oase. De Nubiërs moesten niets van dat graf weten en lieten hem er tenminste met rust. Alleen op bepaalde hoogtijdagen en bij vreemde natuurverschijnselen wilden ze gebruik maken van zijn kennis, zijn gave, dezelfde gave die hem bijna fataal was geworden in Thebe.
Vizier Anchoe kon wel raden wat hen nu weer dwars zat. Hij had het zelf ook gezien, de vreemde staartster die ineens aan het firmament was opgedoken.
Het was de stamoudste hoogstpersoonlijk, die de stoet naar de grot van vizier Anchoe leidde. Hij droeg een schaal met gevogelte met zich mee.
Fijn, dacht Anchoe, vanavond geen woestijnrat. Dat wordt smullen.
Moboeto, het stamhoofd, boog diep voor de vizier. Anchoe nam zo waardig mogelijk de schotel met de verschillende dode vogels aan, het liefst was hij meteen aan het bereiden van zijn avondmaal geslagen, nu hij deze ingrediënten in de schoot geworpen kreeg, maar hij beheerste zich. Moboeto vertelde het doel van zijn komst. Hij wees naar de lucht en uit wat Anchoe van het Nubisch kon verstaan, maakte hij op dat het inderdaad over de vreemde staartster ging. Anchoe liep de grot binnen. Hier kwamen de Nubiërs niet. Ze bleven wachten tot hij weer naar buiten zou komen. Anchoe plukte wat zwammen uit het vochtigste gedeelte van de grot. Hij zuchtte. Echt lekker waren die zwammen helaas niet. Met een beetje van dat kostbare witte spul dat hij ooit in Thebe had geproefd, zouden ze al een stuk beter te eten zijn. Hij moest nog lachen toen hij dacht aan het moment waarop de farao voor het eerst in zijn leven zout proefde. Hij stond, als vizier, naast de troon en proefde voorzichtig een beetje voor van het witte spul dat de mannen uit het Oosten zo eerbiedig aan hem voorzetten, maar de farao was ongeduldig, rukte de kom met zout en de lepel uit zijn hand en nam meteen een hele grote hap. Tjonge, wat was die farao tekeer gegaan! De ongelukkigen uit het Oosten hadden het niet overleefd, en hijzelf nog maar ternauwernood.
Anchoe at langzaam zijn zwammen. Na een tijdje begonnen de beelden te komen. Hij pakte een rol papyrus en een stuk houtskool en begon te schrijven. De staartster zou verdwijnen, maar ooit terugkomen, hij zag het duidelijk. Hij zag nog meer… Na een half uur legde hij zijn houtskool neer. De zwammen waren uitgewerkt, maar hij had nog geen mooi visioen voor de Nubiërs gezien. Misschien hielp het als hij nog wat zwammen at.
Hij kwam naar buiten. De Nubiërs schrokken, zo hadden ze vizier Anchoe nog nooit gezien… Hij schuimbekte, en liep zonder iets te zeggen in de richting van de oase.
Anchoe had een visioen, een bijzondere hallucinatie ditmaal. Hij zag zichzelf door de woestijn lopen, halt houden bij een stuk steen. Hij tilde de steen op en een gele bloem vloog de lucht in, door de wind weggeblazen. En toen zag hij het monster… Het vloog door de lucht, als een enorme vogel, en gromde, als een hongerige leeuw. Het beest daalde, en zou Anchoe raken, hij bukte om de vogel te ontwijken.
De Nubiërs zagen vizier Anchoe een vreemde dans uitvoeren en begonnen opgewonden te klappen en te joelen. Ze imiteerden de danspassen van Anchoe, dansten hem achterna.
Intussen voerde Anchoe een strijd op leven en dood met het vliegende monster dat hem wilde verpletteren. Hij viel tegen de grond en wachtte op de beet van het monster.
Toen werd het stil. Het monster verdween. In de verte hoorde hij de Nubiërs zingen en dansen. Hij krabbelde overeind. Zijn hart ging bijna hoorbaar te keer, dit visioen was het ergste dat hij ooit had gehad. Hij pakte de boemerang, die hij altijd meedroeg om op vogels te jagen, uit zijn riem. Zittend op een rots tekende hij, nog nahijgend van zijn visioen, de vogel die hij had gezien in het zand. De Nubiërs snelden naar hem toe. Anchoe liet zijn boemerang vallen. Hij zakte in elkaar. Zijn hart stopte met slaan. Vizier Anchoe was dood.
De huilende Nubiërs droegen hem naar de grot. De chamsin, de woestijnwind, begon onverwacht te waaien en over de tekening van Anchoe waaide zand. Al snel was er niets meer te zien van de afbeelding, de afbeelding van een vliegtuig, een Cessna…
In de daaropvolgende eeuwen droogde de oase op. Het dorp van de Nubiërs raakte in verval, de rieten hutjes vielen uiteen en het riet waaide weg. De palmbomen stierven door de droogte en vielen om. En tenslotte werd alles bedekt door een dikke laag zand…


By on 11:11
Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

“Zul je goed op je zelf passen?” riep Mia vanaf de kade naar haar vriendin Melissa van Buren die aan de reling stond. “Denk maar even niet aan farao’s of aan Johan. Geniet van de rust!” Ze zwaaide tot de veerboot naar Terschelling uit het zicht was en Melissa naar binnen ging.
Melissa zocht een plaatsje in de niet-roken salon en keek uit het raam. De boot lag stevig in het water, dat viel haar mee.
Ze had niet in de gaten hoe een donkere man haar vanachter een krant in de gaten hield…
De reis verliep rustig. Melissa bracht het laatste deel boven op het dek van de veerboot door. Ze haalde diep en langzaam adem. De frisse zeelucht deed haar goed, ze voelde een stoot nieuwe energie opborrelen.
Boven haar hoofd scheerden meeuwen op zoek naar voedsel. De winter was streng geweest, maar nu was het ijs vrijwel verdwenen. De zeevogels konden weer volop vissen en hun eeuwige honger stillen.
Melissa tuurde in de zon op over de Waddenzee. Het water was vlak, alleen aan de horizon, in het zeegat, bruiste wat branding. De boot gleed zacht ruisend door de resten van de laatste ijsschotsen. Ze had nog nooit eerder gevaren, het viel haar alles mee. Johan zou haar eens moeten zien, dat ze dit durfde, alleen op reis…
Johan. Ze had al bijna een uur niet aan hem gedacht. Een week geleden nog maar leek alles zo goed tussen hen. Ze hadden precies drie jaar verkering en gingen dat vieren in een restaurant. Melissa had zich nerveus voorbereid op het uitje, de ene jurk na de andere gepast in veel te dure winkels, ze was naar de kapper geweest en zelfs naar de schoonheidsspecialiste, iets wat ze anders nooit deed. Ze wilde persé een goede indruk op Johan maken, Johan, de wereldwijze piloot, die stewardessen het hoofd op hol bracht en flirtte met beroemde vrouwelijke passagiers. Hij wist wat er in de wereld te koop was, hij had geld en gaf het graag uit. Melissa bewonderde hem er in stilte om. Voor haar lag het allemaal even anders. Ze verdiende niet veel als assistent conservator en secretaresse van een noodlijdend historisch museum. Behalve haar werk, dat ze met liefde deed, had ze weinig interesses. Uitgaan in dure gelegenheden was zeker niet één daarvan. Ze voelde zich altijd wat onzeker in grotere ruimtes met veel mensen. Eigenlijk voelde ze zich altijd onzeker. Johan niet. Johan had er prachtig uit gezien in zijn zwarte smoking. Hij haalde haar op in een gehuurde witte limousine met chauffeur, ze wist niet wat ze zag! Bijna had ze zich bedacht en was ze terug gerend naar haar veilige flatje, maar ze kon Johan daar moeilijk laten staan. Zoiets sjieks was absoluut niets voor haar… Ze vond het doodeng. Het restaurant dat Johan had uitgezocht bevond zich in een kasteel en al vanaf het moment dat ze binnenstapten, ging het mis.
Ze knalde in haar zenuwen de deur hard achter zich dicht. Iedereen keek verstoord op, ook Johan… Ze schutterde toen ze haar jas uittrok en ze had te laat in de gaten dat een soort lakei, zo zag hij eruit, haar jas wilde aannemen. Ze hing hem zelf op, aan het lusje, dat knapte. De jas viel op de grond en ze geneerde zich nog meer toen de gerant haar jas opraapte en nogmaals ophing, netjes aan een knaapje.
Johan keek haar afkeurend aan, hij schaamde zich natuurlijk dood met haar in zijn buurt…
Melissa kreeg het nog warm als ze terug dacht aan die vreselijke avond. De wijn had ze niet omgegooid, gelukkig, maar verder ging het echt helemaal fout.
Ze verloor haar vork, om maar eens wat te noemen. Ze dronk bijna per ongeluk uit het vingerkommetje en verslikte zich in een stuk vlees. Toen ze naar het toilet wilde gaan, kon ze die met geen mogelijkheid vinden, ook niet op aanwijzingen van de ober, die haar de hele avond met nauwelijks verborgen minachting leek te observeren.
Ze liep dus maar een rondje in de hal en keerde toen terug aan het tafeltje waar Johan zwijgend in zijn bord prikte.
Nog geen half uur later was het uit. Hij kon niet leven met iemand die zo saai was als zij. Zo stuntelig, onbehouwen, ja zo sociaal achterlijk. Dat waren zijn woorden geweest, zijn woedende woorden, die hij op gedempte toon had gesproken.
Dat hij zich had vergist, siste hij. Stomweg vergist. Ze was weliswaar redelijk mooi, knap, maar geen buitensporige schoonheid. Eerder gewoontjes, nu hij er goed over had nagedacht.
“En vanavond is het tot me doorgedrongen dat ik zo niet verder wil. Het is dus uit.”
Hij stond op en liep de zaal uit. Daar zat ze dan. Ze voelde geen boosheid, geen verdriet. Alleen maar een lachbui die onstuitbaar kwam opzetten, ze nam snel een slok wijn maar het hielp niet. Schaterend zag ze de witte limousine verdwijnen. Toen veegde ze haar wangen droog, haalde diep adem en bestelde een koffie. Hoewel ze tientallen ogen op zich gericht wist, voelde ze zich een stuk meer ontspannen, ja opgelucht. Drie jaar lang had ze op haar tenen gelopen, nu was ze eindelijk vrij…
Melissa grinnikte toen ze aan dat moment dacht. Natuurlijk had Johan ook wel gelijk gehad, ze was een grijze muis die niets durfde en overal tegen op zag. Maar dat zou veranderen. Melissa van Buren begon een nieuw leven. Als ze tenminste die steile trap van het bovendek af durfde te dalen…
De veerboot draaide de haven van Terschelling binnen. Melissa liep voorzichtig de ijzeren trap af. Ze merkte niet hoe de donkere ogen haar nog steeds gadesloegen…
Eenmaal op de kade bleef ze staan. Het adres van de beheerder van het huisje dat ze had geboekt, zat onder in haar schoudertas. Met veel moeite viste ze het papiertje uit tussen de rommel, kam, tubetjes, zonnebril en natuurlijk de laatste Nikita Romanova, de romanserie waar ze zo aan verknocht was. Johan had altijd geschimpt dat iemand met een universitaire opleiding, iemand van academisch niveau zoals zij, haar tijd niet moest verdoen met sensatieromannetjes. Drie jaar lang had ze haar favoriete leesvoer in het verborgene genuttigd. Nu kon ze weer lekker lezen wat ze wilde waar ze wilde. En dat zou ze doen ook.
De beheerder woonde niet ver van de haven. Melissa vroeg de weg aan een paar oude mannetjes die haar graag de goede kant uit stuurden. Ze knikten en wuifden haar vriendelijk na. Melissa voelde zich nu een stuk beter dan toen ze die ochtend de veerboot was opgegaan. Ze belde aan en een vrouw die vier kinderen in bedwang probeerde te houden die aan het gekrakeel te horen allemaal iets anders op de televisie wilden zien, deed open. Bezweet overhandigde ze Melissa de sleutel en vertelde hoe ze bij het zomerhuisje moest komen.
“Je kunt het beste een fiets huren”, zei ze nog, voor ze haar viertal tot de orde riep en de deur sloot.
Een fietsenverhuurbedrijf was snel gevonden en even later trapte Melissa tegen de wind in over een smal fietspad door de duinen. Het was ongeveer een half uur fietsen toen ze bij een groepje zomerhuisjes aankwam. Na wat zoeken had ze de “Zeemeeuw” gevonden, hoog gelegen boven op een duintop met een schitterend uitzicht over de zee.
Melissa zette haar fiets op slot en haalde diep adem.
Ze was benieuwd naar het huisje en opende haastig de deur.
Het interieur was eenvoudig met vloerbedekking van vinyl en rotan meubelen, maar het zag er gezellig en fleurig uit door de bonte gordijnen en tafelkleedjes. Er was centrale verwarming die ze gauw aanzette. De open haard liet ze maar voor wat het was. Het uitzicht was schitterend, het brede strand en de branding, de zee en de wijde lucht met snel voortbewegende wolken.
In het keukentje maakte ze koffie en ze noteerde wat ze aan boodschappen moest halen.
Ze keek naar buiten. Het strand zag er verlaten en koud uit, er waaide zand tegen de ruit. Lekker rustig. Hier kon ze op adem komen.
Die middag maakte ze een strandwandeling. Om deze tijd van het jaar kwamen er maar weinig toeristen naar het eiland, het strand was helemaal van haar. Ze liep eerst een uur of twee tegen de wind in naar het westelijke deel van het eiland. Hoe zou het zijn geweest om hier samen met Johan te lopen, diep weggedoken in hun jassen, de armen om elkaar heen? Maar Johan vond stranden alleen leuk als ze vol lagen met topless juffrouwen en dan alleen nog bij tropische temperaturen. Ze waren samen slechts één keer naar een strand geweest, naar Zandvoort, en toen regende het.
Dit was heerlijk, zo wijds en winderig, haar huid tintelde en haar lippen smaakten zout.
Toen ze moe werd, ging ze op een duintop zitten. Een tijdlang tuurde ze over het strand. Vanuit het westen verscheen een klein stipje dat groter werd, er kwam iemand haar richting uit. Het was een man, met een lange cameljas en een hoed. Vast ook een toerist, dacht Melissa. De man werd door de wind voortgeduwd, zo leek het. Opeens blies de wind de hoed van zijn hoofd en het ding rolde over het strand. Melissa lachte, het was een komisch gezicht de man achter zijn hoed aan te zien rennen. Ze stond op en zette een spurt in. Al snel had ze de hoed te pakken en bracht die naar de hijgende man bij de vloedlijn.
Hij was een jaar of veertig, schatte ze, lang, knap, met schitterende blauwe indringende ogen die haar echter boos aankeken. Zonder iets te zeggen griste hij de hoed uit haar handen. Ze deinsde verbluft achteruit terwijl hij met grote passen verder liep, zijn hoed stevig op zijn hoofd vasthoudend. Wat een onbeleefde kerel! Melissa keek hem verbaasd na en haalde haar schouders op. Nou ja, zo’n ongelikte beer kon haar goede humeur echt niet bederven. Ze slenterde nog wat rond en zocht wat mooie schelpen bij elkaar. Tegen vijven liep ze voor de wind uit naar de “Zeemeeuw”.
Ze was moe. De behaaglijke warmte binnen maakte haar loom en ze viel in slaap in de grootste rotanstoel.
Buiten werd het steeds guurder. De wind wakkerde aan en toen ze om een uur of tien wakker werd, stormde het al behoorlijk. Verrukt rekte ze zich uit en deed wat kaarsen aan. Heerlijk, storm! Ze sloot de gordijntjes en schonk een glas wijn in. Met haar boek en een deken nestelde ze zich behaaglijk op de bank. Buiten raasde en gierde het. De zee maakte een lawaai als van een drukke snelweg.
Melissa begon te lezen…
“…Verlamd van angst bleef Nikita voor de deur staan. De voetstappen kwamen dichterbij. Wat als het Jacques was, hoe moest ze zich verdedigen? Nogmaals probeerde ze het slot, maar de sleutel zat vast en wilde geen kant uit. Nikita keek radeloos om zich heen, tot haar oog op een kandelaar aan de muur viel. De kaars flakkerde zacht. Ze blies hem snel uit en trok in één beweging de kandelaar naar beneden. Het was nu aardedonker maar ze had tenminste een wapen…”
Melissa nam een slok wijn. De storm was nu wel op een hoogtepunt. De dakpannen van het zomerhuisje rammelden. Ze las verder.
“Ze hoorde geen voetstappen meer. Hij moest slechts een paar meter van haar af zijn, ze kon hem horen ademen…”
Melissa las gespannen verder. Ze merkte niet hoe iemand het zomerhuisje naderde…
Melissa keek op. Ze had iets gehoord, en het was de wind niet geweest. Het klonk als voetstappen…
Ik moet niet zoveel van die sensatieromannetjes lezen, dacht ze. Johan had gelijk. Ik ga er te veel in mee.
Ze legde het boek neer en schonk haar glas nog eens vol. Het was helemaal niet haar gewoonte om in haar eentje te drinken maar ze had het zich vanavond toegestaan omdat ze vakantie vierde. Eigenlijk had de open haard ook nog moeten branden. Ze rilde en trok de deken verder over zich heen. Wacht eens, daar was het geluid weer. Het was geen verbeelding, iemand sloop om het huis!
Ze voelde haar hart in haar keel bonzen toen ze voorzichtig opstond en naar het raam liep. Buiten was het pikkedonker, alleen de stralen van de vuurtoren verlichtten om de paar seconden het strand en het duin. Niets te zien. Of toch? Bewoog daar niet iets achter het andere raam?
Ze moest een wapen hebben. Koortsachtig zocht ze naar een hard voorwerp in de keuken dat geschikt was als wapen. Ze kon niets beters verzinnen dan de deegrol. Net toen ze deze stevig in haar hand had omklemd, werd er aan de voordeur geklopt. Ze stond verstijfd in de keuken.
Dit was echt geen verbeelding! Iemand wilde naar binnen!

Professor Peter Beijsterveldt trok de hoed nog verder over zijn hoofd. Die rotwind. Het zou hem geen tweede keer overkomen dat dat ding afwaaide. Hoewel hij al minstens drie kilometer van haar vandaan was, had hij het gevoel dat dat mens nog steeds stond te lachen. Bah. Hij haatte het als hij zich in verlegenheid gebracht voelde. En nu voelde hij zich in verlegenheid gebracht.
Het was juist zo heerlijk rustig op het eiland nu, tussen kerstvakantie en krokusvakantie. En rust had hij nodig. Het was ook niet niets wat hem te wachten stond. Hij controleerde voor de zoveelste maal of de brief nog in zijn binnenzak zat. De tekst kende hij uit zijn hoofd. Het was een uitnodiging van de Egyptische regering om aanwezig te zijn bij het openleggen van een nieuw ontdekte grafkelder, waarschijnlijk dat van een edelman, in een grot in de woestijn ten zuidwesten van de oase Charga. Niemand wist wat zich daarin precies bevond. Werkers waren nu bezig de ingang van de grot uit het zand te graven, maar het duurde nog wel tot begin april voor ze er in konden. Peter voelde zich vreselijk gevlijd, maar nog meer opgewonden. Dit was het waar hij zijn leven lang al van droomde. De Egyptische oudheid, de piramidebouwers en de graven van farao’s en edelen hadden al zo lang hij zich kon herinneren een enorme aantrekkingskracht op hem uitgeoefend. Hij moest en zou de uitnodiging aannemen. Er was echter maar één bezwaar: de reis er heen; hij durfde voor geen goud te vliegen. Het had zijn humeur geen goed gedaan. Dat mens achter hem bij de vloedlijn zou wel denken…
Peter zuchtte. Zijn jaar buitengewoon verlof ging nog vermoeiender worden dan zijn normale werk als hoogleraar in de oudheidkunde. Vooral nu zijn moeder hem ineens aan allerlei welgestelde dames probeerde te koppelen. Dat laatste feest had hem bijna de das om gedaan. Hij was blij even van al die sores verlost te zijn. Zijn moeder kon het ook zo mooi aanpakken: “Peter, ik wil dat je Eva Hermans ontmoet, haar vader is erg rijk geworden met antiek en bovendien eigenaar van een groot laboratorium”, en vervolgens zat hij nu al zo’n jaar of twee met die Eva opgescheept bij de meest vervelende aangelegenheden. Hij kreunde nog als hij dacht aan de kater die hij de dag na het laatste feest een maand geleden had gevoeld. Hij herinnerde zich feitelijk niets, alleen dat de mooie Eva hem vooral verteld had hoeveel papa tijdens de laatste veiling voor een beeldje zus en een schilderijtje zo had weten te vangen. ‘s Ochtends was hij wakker geworden in het een of andere hotel en hij had gemaakt dat hij weg kwam. Niets voor hem, zulke feestjes! Gelukkig had hij Eva sindsdien kunnen ontlopen.
Hij bereikte het zomerhuis dat hij voor een week zou bewonen. Het lag op een duintop en zag uit over zee. Maar Peter had geen oog voor het uitzicht, hij pakte een aantal boeken en begon ijverig te bladeren. Urenlang maakte hij notities en schrapte die vervolgens weer.
Hij merkte dat hij zich moeilijk kon concentreren. Er was een beeld dat steeds bij hem boven kwam, het beeld van die jonge blonde vrouw die hij ‘s ochtends aan boord van de veerboot voor het eerst gezien had, ze keek net als hij uit het raam naar de vuurtoren van het eiland dat ze naderden, de Brandaris, en hij zag hoe ze even rilde, alsof ze hetzelfde dacht als hij: wat een hoogte, daar zou ik nooit op durven.
Hij zag welk boek ze las en had even geglimlacht.
En hij had bedacht dat hij haar best eens wilde leren kennen. Nou, daar had het lot bijna voor gezorgd. Ze had hem netjes zijn hoed teruggebracht vanmiddag, en hij wist zich geen raad. Zoals gewoonlijk. Hij kon zich wel voor zijn hoofd slaan. Een dankjewel was toch wel het minste geweest dat hij had kunnen uitbrengen.
Hij kreunde. Het was inmiddels al behoorlijk laat geworden. Hij besloot de boeken te sluiten en naar bed te gaan. De wind was toegenomen, er stond een behoorlijke storm.
Hij lag nog maar net in bed toen hij een zacht gerammel hoorde. Hij wist meteen wat het was, het tuinhek was open gewaaid en klepperde in de wind. Het geluid kwam maar amper boven het tumult van de storm uit, maar irriteerde hem toch. Zo kon hij niet slapen, het had het zelfde effect als een druppende kraan. Er zat niets anders op dan naar buiten te gaan en het hek goed te sluiten. Mopperend stond hij op en stapte in zijn slippers. Hij had geen zin zich verder aan te kleden, het karweitje zou in een halve minuut geklaard zijn.
Het was ijselijk koud. Rillend rende hij naar het hekje beneden aan het duin. Hij smeet het toe, deed de grendel er op en snelde terug naar het zomerhuis. Net toen hij de voordeur bereikte, smakte die door een windvlaag dicht. In het slot. Eén seconde stond Peter verbijsterd voor het donkere zomerhuis. Toen vloekte hij stevig. Het licht van de Brandaris scheen over de duinen, daarna werd het weer donker. Daar stond hij dan, moederziel alleen boven op een verlaten duintop in de eenzame stormnacht…
De achterdeur bood geen soelaas, ook deze zat stevig op slot. De ramen hoefde hij niet te proberen, die had hij zelf goed dicht gedaan toen het zo hard begon te waaien. Er zat niets anders op dan hulp te gaan zoeken. Maar het
dichtstbijzijnde dorp waar hij menselijk leven vermoedde lag kilometers verderop. Dat haalde hij nooit in zijn onderbroek. En de andere zomerhuisjes waren allemaal verlaten …
Wacht eens, daar brandde licht, in het zomerhuis links naast hem, op zo’n honderd meter afstand. Het was maar een klein lichtje, maar toch… Daar was vast iemand.
Bij de “Zeemeeuw” sloop intussen een donkere figuur rond… Twee donkere ogen zochten naar de deur…, een vuist klopte aan…
Hijgend bereikte Peter het naburige zomerhuis. De kou was niet te harden, hij moest snel in de warmte zien te komen. Toch aarzelde hij voor hij aanklopte. Midden in de nacht in je onderbroek op visite gaan was wel het laatste waar hij zin in had.
Melissa dacht na. Een inbreker kon het niet zijn, die zou niet hebben aangeklopt. Misschien had er iemand pech onderweg gekregen, ze kon maar beter opendoen. Voor alle zekerheid hield ze de deegroller omhoog toen ze de deurknop naar beneden duwde.
Er stond een vrijwel naakte man voor de deur, op het punt met zijn vuist aan te kloppen, die angstig wegdook toen hij de deegroller zag. Melissa gaf een gil van schrik. Toen herkende ze hem. Het was de man van het strand, van de hoed. Hij zag er deerniswekkend uit zo op z’n slippertjes. Ze liet de deegroller zakken.
Beiden hadden niet in de gaten hoe een duistere gedaante het duin afsnelde…
Peter stamelde iets over buitengesloten raken.
“Allemachtig, ik wist dat het stormde, maar dat je kleren je van je lijf waaien, dat is wel erg bar…” zei Melissa terwijl ze hem verbaasd opnam.
“Zou u mij er niet liever in laten?” schreeuwde Peter boven het lawaai van de storm uit. Hij voelde zich verschrikkelijk opgelaten. Daar had je dat mens weer.
“Komt u maar binnen”, zei Melissa lachend, en wees hem met de deegroller de weg naar binnen.
Kleumend warmde Peter zijn handen aan de radiator.
“H… het hek… k… klepperde”, zei hij, stotterend van de kou, “en ik … k… deed het dicht, en t… toen viel de buitendeur in h… het slot…”
Melissa knikte. Ze zag het helemaal voor zich. Het had haar ook kunnen gebeuren.
“U kunt hier wel blijven tot de storm wat geluwd is. Ik heb in de keuken wat gereedschap gezien, daar zal wel een raam mee open te krijgen zijn.”
Peter knikte stug.
“Heb je misschien iets voor me te leen, kleren bedoel ik?” vroeg hij toen hij weer een beetje bij zijn positieven was gekomen. Melissa ging naar de slaapkamer. In haar nog onuitgepakte koffer zaten twee truien, een groot uitgevallen schipperstrui die ze ooit aan Johan had gegeven maar die ze op de een of andere manier weer terug had gekregen, en een roze mohair. Ze hoefde niet lang te denken. Ze pakte de roze mohair en een lichtblauwe zijden legging. Ze grijnsde.
Zuchtend bekeek Peter de kleding die ze hem overhandigde.
“Heb je echt niets anders? Ik geloof niet dat dit past”, klaagde hij.
“Het spijt me. Wacht, ik heb nog wel een T-shirt, die kunt u er beter onder doen, anders kriebelt die mohair zo.”
Even later zat Peter zwijgend tegenover haar in de kleren waarin hij zich belachelijk wist. Hij wilde zo snel mogelijk terug naar zijn eigen zomerhuis maar de storm gierde voort en het was ook nog gaan hagelen.
Melissa zette hem eveneens zwijgend een glas wijn voor die hij met een kort knikje accepteerde.
“Waarom heb je die haard niet aangedaan? Het is er echt weer voor”, zei hij na een tijdje. Hij had lang nagedacht over wat hij eventueel zou kunnen zeggen. Dit leek hem wel een gepaste opmerking gezien de omstandigheden.
Melissa was blij dat ze nu een gespreksonderwerp hadden gevonden.
“Ik weet niet precies hoe het moet, eigenlijk”, zei ze verlegen. Ze schaamde zich een beetje, de ware reden dat de haard niet brandde, was haar angst voor vuur.
“Het is anders heel gemakkelijk. Kijk, dit is een aanmaakblokje…” Melissa keek toe hoe hij de haard aanmaakte. Ze zwegen verder en luisterden naar de wind. Melissa pakte haar boek weer op en probeerde verder te lezen. Ze merkte niet hoe Peter naar haar keek.
Hij bestudeerde haar gezicht, de kleine neus, haar lichte, blonde haren. In de zomer had ze vast sproetjes, wilde hij wedden. De gloed van de vlammen weerkaatste in haar ogen. Terwijl het buiten spookte en hij bij een wildvreemd mens in een vreemde kamer zat, voelde hij een merkwaardige rust. Ze leek in het geheel niet van haar stuk gebracht door zijn aanwezigheid. In haar plaats zou Eva zich netjes hebben voorgesteld, aangezien hij dat had vergeten. Deze jonge vrouw las gewoon verder in haar boek. En wat voor een boek. Nikita Romanova. Hij moest even lachen. O, hij wilde dat hij nu een gesprek kon beginnen maar hij zag er zo raar uit in deze outfit, en bovendien genoot hij van de rust. Eva zou niets anders hebben gedaan dan kwebbelen, in zo’n situatie. Aan één stuk door. Vroeger vond hij dat wel charmant aan haar, maar de laatste tijd vermoeide het hem steeds meer.
Melissa had moeite haar aandacht bij het boek te houden, veel liever hield ze een oogje op dat enge vuur en die vreemde man, maar ze moest zich toch een houding geven. Ze las:
“…Nikita wist dat dit moment nooit meer terug zou komen, tenzij ze er voor zorgde dat alles veranderde… Jacques, hoe graag zou ze zijn armen voor altijd om zich heen voelen, zijn stem haar naam horen fluisteren…” Ze gluurde even naar de man in haar roze trui maar toen hun blikken elkaar kruisten, sloegen ze beiden hun ogen neer.
Tegen twee uur in de nacht nam de storm opeens af. Ze merkten het allebei, maar pas toen de windstilte echt niet meer te negeren viel, maakte Peter aanstalten te vertrekken.
“Nou, dan zal ik maar eens opstappen. Je had gereedschap, zei je?” Peter kuchte, zijn stem was schor.
Melissa haalde een hamer, een zaklantaarn en een schroevendraaier uit de keuken, gaf die aan hem en liet hem uit. Zonder iets te zeggen verdween Peter in de nacht. Melissa keek hem verbaasd na.
“Ook bedankt…”, mompelde ze onhoorbaar. Wat een rare snuiter. Zo onbeholpen. Hij had er vanmiddag op het strand ouder uitgezien. Ze wist niet eens hoe hij heette, maar ja, het was ook een rare situatie geweest, hij was gewoon vergeten zich voor te stellen. Net als zij zelf.
Het vuur doofde al toen ze naar bed ging. Vanuit het slaapkamerraam zag ze licht branden in het zomerhuis naast haar, de inbraakpoging was dus gelukt.
De volgende morgen scheen de zon. Melissa werd om een uur of tien wakker en opende de gordijnen. De zee zag er nu heel anders uit. Ze had echt zin in een lekker lange strandwandeling.
Na het ontbijt stapte ze de deur uit, haalde diep adem en zag toen dat er iets op de stoep stond. Het was een stevige bloemenvaas, met een groot boeket vrolijk gekleurde bloemen en een plastic zak. Verbaasd nam ze de vaas en de zak mee naar binnen. De zak bevatte het gereedschap, de roze trui, met daarin een zwarte vlek, en de legging. Ze las het kaartje in het boeket: “Sorry, ik ben vergeten je te bedanken voor vannacht. Er zit een vlek in de trui, maar dat is maar modder, dat krijg je er wel uit hoop ik. Mag ik je uitnodigen voor een diner vanavond om acht uur, in “De Roze Olifant”, onder de Brandaris? Peter.”
Hij heet dus Peter. De bloemen waren prachtig, die moest hij vanmorgen helemaal in het dorp hebben gekocht. Ze bloosde. Een diner… daar had ze niet zulke goede herinneringen aan… Niets voor haar, dineetjes.
Ze liep ditmaal naar het oosten van het eiland en passeerde daarbij het zomerhuis van Peter. Ze zag er geen teken van leven.
Boven haar vloog een aantal watervogels in formatie, ze keek ze na tot aan de einder. Verder was het strand verlaten.
Tegen lunchtijd ging ze terug naar de “Zeemeeuw”.
‘s Middags fietste ze naar West. Hoewel sommige winkels buiten het seizoen gesloten waren, vond ze toch nog ergens een paar grappige ansichtkaarten. Op een bankje aan de kade schreef ze er één naar haar beste vriendin. Haar enige vriendin. Mia kende ze al vanaf de tijd dat haar familie nog maar net in Nederland terug was. Het was een trieste tijd geweest, haar vader, een archeoloog, was tijdens een expeditie omgekomen, haar moeder kreeg hierop een inzinking en moest in een inrichting worden opgenomen. Melissa werd bij een tante ondergebracht die al ver in de zestig was en nooit kinderen had gehad. Op school paste ze zich moeilijk aan, ze was het leven in de woestijn gewend, het primitieve leven tussen nomaden. Ze begreep niets van de kinderen in haar klas, van Barbies had ze nog nooit gehoord. Alleen met Mia klikte het, en dat zou ook zo blijven.
“Hoi, Mia, het is hier totaal uitgestorven, heerlijk dus. Heb de saaiste vakantie die je je maar kunt voorstellen! Nou ja, saai, vannacht stond er een meneer in zijn onderbroek voor mijn deur, maar dat vertel ik je later allemaal wel! Denk je aan de verjaardag van Lutjes? Hij vind het vast leuk als je langs komt en doe hem de groeten. Melissa.”
Ze plakte een postzegel op de kaart en las hem nog eens over. Kon dat nou niet wat humoristischer, die tekst? Zelfs haar ansichtkaarten waren saai…
Vervolgens schreef ze een kaartje naar professor Lutjes, haar werkgever, die directeur was van het kleine oudheidkundige museum waar ze werkte.
Het was al donker toen ze terug fietste naar de “Zeemeeuw”. Er brandde licht in het zomerhuisje van Peter en even wilde ze dat ze hem op durfde zoeken. Ze ging gauw naar binnen en zette koffie. Toen zag ze de vaas met bloemen en herinnerde zich zijn uitnodiging voor die avond. Het was nu half zeven. Wat zou ze doen? Aardig vond ze die Peter niet, eigenlijk. Maar die vaas met bloemen, dat was wel een leuk gebaar. Waarom had hij niet even aangebeld om ze zelf te overhandigen? Of was dat raar? Ze had er geen verstand van, al die regels die er blijkbaar bestonden in de omgang met mensen. Ze had ze nooit kunnen doorgronden, het waren onuitgesproken, ongeschreven regels die andere mensen blijkbaar, zonder het te beseffen, aanvoelden, maar zij niet. Ze zuchtte. Ze had eigenlijk toch wel zin om te gaan…
Besluiteloos staarde ze door het raam. Het licht bij Peter was nu gedoofd, hij was zeker al op weg…
Het was al half acht toen ze de knoop doorhakte.
Vooruit dan maar. Zoveel kan er niet gebeuren, dacht ze. Maar wat moest ze aantrekken? Het was behoorlijk koud, dus een trui had ze wel nodig op de fiets. De roze mohair kon ze niet dragen, daar zat dus een moddervlek in. Dan maar die grote schipperstrui. En een spijkerbroek, die hield de wind ook een beetje tegen. Ze kleedde zich snel om en verliet de “Zeemeeuw”. Halverwege het dorp bedacht ze zich. Zo kon ze toch niet verschijnen in een restaurant! In een veel te grote oude trui en een bleekgewassen versleten spijkerbroek…
Ze draaide haar fiets resoluut om. Na nog geen honderd meter bedacht ze zich weer. Ze kon Peter daar niet laten zitten, zonder bericht. Hijgend fietste ze naar het dorp. Onder de vuurtoren vond ze het kleine restaurant, de “Roze Olifant”, waar kaarslicht achter de ramen flakkerde. De rest van het dorp leek uitgestorven. Ze zette haar fiets neer en haalde diep adem. Zou ze of zou ze niet?
Peter had een tafel aan het raam gekozen van “De roze Olifant”. Hij schoof in de gezellige houten bank. Het was tamelijk schemerig in de zaal, maar toen zijn ogen gewend waren aan het licht, bestudeerde hij het menu.
“Heeft u al wat uitgezocht?” vroeg de vriendelijke eigenaresse.
“Eh, nou, eigenlijk wacht ik op iemand. Maar doet u mij maar alvast een glaasje port.”
Ze kwam al snel terug.
“Het is niet erg druk, hè?” zei Peter. Hij was de enige gast tot nu toe.
“Ach, nee, het is nu geen seizoen. Over een paar weken wordt het weer drukker. Kijkt u eens, uw port.”
“U zit hier anders wel ideaal, zo vlak bij de Brandaris.” Peter frunnikte zenuwachtig aan zijn das. Wat als ze nou niet kwam opdagen?
De eigenaresse schoof gezellig bij hem aan tafel.
Ze babbelde nog wat over het toerisme en verdween toen weer achter in de keuken. Peter zat alleen. Het was kwart over acht.
Melissa probeerde niet te vloeken terwijl ze haar fietsband bekeek. Ja, hoor. Leeg. En zo te zien kapot ook. Een lekke band. Nog een geluk dat ze het restaurant had gehaald voor het gebeurde.
Ze schudde haar haren naar achteren en opende de deur. Een aangename warmte kwam haar tegemoet. Ze hoefde niet lang te zoeken. Zodra ze Peter zag, voelde ze de moed in haar schoenen zinken. Wat moet ik in hemelsnaam met die kerel bepraten, dacht ze.
Peter stond op en zwaaide naar haar, alsof ze op een druk vliegveld stonden. Hij stak een hand uit en ze schudde die.
“Peter Beijsterveldt. Aangenaam.”
“Melissa van Buren.”
“Ga zitten. Of, nee, doe eerst je jas uit. Wacht, geef maar, daar is een kapstok.”
“Het lusje is stuk”, zei Melissa mat.
“Geeft niet, ik hang hem wel op een knaapje. Ga vast zitten.”
Ze zag hoe Peter onhandig de jas ophing.
Hij had zich voor de gelegenheid gekleed in een bruin ribkostuum dat een beetje jaren zeventig aandeed. Mode was vast niet aan hem besteed, dacht Melissa.
Ze bestelden een wijn en nog een glas port en wisselden wat algemene beleefdheden uit.
“Ben je hier op vakantie?”
“U ook?”
“Zeg maar Peter. Een week, ja.”
“Lekker, die port?”
“Heerlijk. Hoe is de wijn?”
“Prima.”
“Mooie trui heb je aan. Het lijkt me een mannentrui…”
Ze bloosde.
“Die had ik je gisteravond misschien beter kunnen geven toen je bij me aanklopte…” zei ze timide. Peter lachte.
“Dat was misschien wel handiger geweest. Maar ik vind roze ook een mooie kleur, hoor. Ik heb trouwens niet bij je aangeklopt, je deed de deur net open toen ik dat wilde doen. Ik schrok me naar van die deegrol, dacht je dat ik een insluiper was of zo?”
Melissa keek hem verwonderd aan.
“Niet aangeklopt? Maar ik meende toch echt… Nou ja, het zal de wind dan wel geweest zijn.” Ze haalde haar schouders op en bekeek de menukaart.
“Die schol lijkt me wel lekker”, zei ze.
“Mmm, ik ben dol op vis. Jij ook?” Ze knikte.
Het voorgerecht en de visschotel smaakten voortreffelijk. Melissa geneerde zich bijna voor de geweldige trek die ze aan de dag legde. Ze had honger! Ze realiseerde zich dat ze sinds het met Johan was uitgeraakt niet meer een echte maaltijd had genuttigd.
“Wat doe je voor werk?” vroeg Peter toen de klok aan de wand tien uur aangaf.
“Ik ben eigenlijk oudheidkundige. Ik werk als assistente, secretaresse en manusje van alles in een klein oudheidkundig museum…” zei ze met volle mond.
Peter liet verbaasd zijn vork vallen. Hij raapte hem snel van de vloer op.
“Dat meen je niet… Dat is ook toevallig, ik ben archeoloog.” Hij staarde haar verbluft aan.
“Wacht eens, Beijsterveldt… Professor Beijsterveldt? O, ik heb al zo veel over uw werk gehoord. Mijn vader heeft nog met u gewerkt, aan de hiëroglyfen uit de 19e dynastie, in het bijzonder die van farao Ramses II…” Melissa sloeg opgetogen haar handen voor haar mond. Ze bloosde. Ze was wel erg enthousiast, besefte ze ineens. Wat moest hij wel niet denken?
Peter zakte achterover in zijn stoel. Niet te geloven. De dochter van zijn grote voorbeeld, Adriaan van Buren. Zo jammer dat hij voortijdig was gestorven.
“Ik had grote bewondering voor het werk van je vader. Vooral zijn ontcijfering van de zogenaamde woestijnvariant van het Nubische schrift, de Nijlcode, is van grote waarde geweest. Het is vreselijk dat hij zijn werk niet heeft kunnen afmaken.”
Hij heeft het werk wel afgemaakt, dacht Melissa maar ze zweeg. Haar vader had haar de volledige code gegeven voor hij dertien jaar geleden naar de Nubische woestijn afreisde. Hij had een voorgevoel gehad, zei hij, dat dit wel eens zijn laatste reis zou worden. De code moest ze goed bewaren en aan niemand doorgeven tot de tijd er voor rijp was. Hij vertelde haar dat er lieden waren die nergens voor terug zouden deinzen als ze wisten dat zij de code in haar bezit had.
Ze had hem uitgezwaaid, hem en zijn Egyptische knecht, op het station van Cairo, waar de trein naar het zuiden vertrok. Adriaan van Buren was nooit meer terug gekeerd…
“Hij is omgekomen in de woestijn…”, zei Melissa zacht.
“Ja, ik weet er alles van. In het zuidwesten van Charga. De oorzaak is nooit precies opgehelderd, is het wel?”
“Hij is gevonden in de buurt van een kleine oase. Zijn helper was verdwenen. Mijn vader leefde al niet meer toen men hem vond. Uitdroging, heette het officieel, maar dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. Mijn vader wist als geen ander hoe je in de woestijn moest overleven. Zelfs als hij verdwaald was geraakt, dan nog lijkt het me onmogelijk dat hij op nog geen halve kilometer van een oase met goed drinkwater zou omkomen.” Ze roerde peinzend in haar koffie. Peter probeerde het gesprek een andere wending te geven om de pijnlijke herinneringen te verdrijven.
“En, hoe bevalt je de vakantie? Ben je hier helemaal alleen?”
“Ja, ik had even rust nodig. Professor Lutjes en ik hebben twee maanden lang voorwerpen verhuisd voor een tentoonstelling in Leiden. Ons museumpje is nu zo goed als leeg. En ik moest er gewoon even tussenuit.”
“Heb je een vriend?”
Ze schrok van zijn directe vraag.
“Had. Ik had een vriend”, zei ze blozend. Ze vertelde hem over Johan en het debacle in het kasteel. Peter moest lachen om haar zelfspot.
Ze merkten niet hoe een paar donkere ogen hen vanachter het raam bespiedden…
Het was al diep in de nacht toen de vriendelijke eigenaresse hen met een bescheiden kuchje op het late uur wees.
“Allemachtig, we hebben uren gekletst…”, zei Melissa verbaasd. De avond was omgevlogen.
“Ik zal eens kijken of er nog taxi’s rijden. Hoe ben jij? Op de fiets?” vroeg Peter terwijl ze hun jassen aantrokken.
Melissa knikte en sloeg zich toen voor het hoofd.
“Stom. Bijna vergeten. Ik heb een lekke band.”
De eigenaresse hoorde het.
“Die fiets hiervoor bedoel je? O, dat is geen probleem. Ik ken de verhuurder wel, dat is hier vlakbij. Ik zet hem wel even bij hem neer. Morgen kun je hem weer ophalen.”
“Dan kun je nu met me meerijden in de taxi”, zei Peter terwijl hij het nummer van het taxibedrijf draaide.
“Bedankt. Het was heel aardig van u om zo laat open te blijven…” zei Melissa tegen de eigenaresse van het restaurant.
“Graag gedaan, hoor. Welterusten.”
De taxi kwam al snel. Melissa voelde zich roezig. Peter zat naast haar en keek naar buiten. Het was aardedonker in de duinen. Ze zwegen nu allebei.
Peter voelde zijn wangen gloeien. Hij kon zich niet herinneren ooit zo geanimeerd met iemand te hebben gepraat. Zoveel gezamenlijke interesses… Hij zou nog uren met haar verder willen praten. En waarom ook niet? Ze hadden allebei vakantie, ze konden de hele nacht doorgaan als ze dat wilden.
“Bij welk zomerhuisje moet u wezen?” vroeg de chauffeur.
“De “Reiger”", zei Peter meteen. Hij keek naar Melissa.
“Als je tenminste zin hebt in een afzakkertje? Anders stoppen we eerst bij de “Zeemeeuw”.”
“Nee, ik bedoel ja, ik lust wel een slaapmuts. Mutsje”, zei Melissa.
“De “Reiger” dus.” De chauffeur rekende af met Peter terwijl Melissa het duin opliep. Zijn huisje was aanmerkelijk luxer dan dat van haar, zelfs in het donker was dat goed te zien.
“Mooi”, zei ze toen Peter haar had ingehaald.
“Het is van een vriend van me. Zelf vind ik het wat overdreven, al die accessoires. Kleuren tv, video, bubbelbad, het zit er allemaal in. Maar ik kom hier alleen maar voor de rust en de stilte.”
“Ja, ik ook”, zei Melissa.
Peter maakte de open haard aan. Melissa ging op de houten vloer zitten.
“Dat wordt al een gewoonte. Dat jij de haard aanmaakt.” Melissa bloosde. Ze zei ook altijd van die stomme dingen.
Peter glimlachte. Hij schonk twee glazen cognac in en ging naast haar zitten. Een tijdje genoten ze zwijgend van de rust en het vuur. Toen zag Melissa een boekje liggen dat haar bekend voorkwam. Het was een oud exemplaar uit de Nikita Romanova serie, “Het wilde woud” geheten.
Verbaasd raapte ze het van de salontafel op.
“Dat is apart, een man die Niktia boekjes leest! Of is die niet van jou?”
“Eh, nee, dat lag hier al toen ik hier gisteren kwam”, zei Peter aarzelend. Melissa geloofde er niets van. Ze had professor Lutjes ook al eens betrapt toen hij een Nikita boekje van haar zat te lezen. Hij beweerde altijd dat hij het vreselijk zonde van de tijd vond om die sensatierommel te lezen, maar ondertussen!
“Ik vind ze geweldig. Het leuke is dat ze niet voorspelbaar eindigen, zoals die andere romannetjes. Daar krijgen ze elkaar altijd, maar Nikita heeft meestal pech in de liefde. Dat vind ik wel grappig.”
“Grappig? Als iemand pech in de liefde heeft?” vroeg Peter streng. Melissa bloosde.
“Nou ja, alleen in die boekjes natuurlijk.”
“De schrijver zal wel uit eigen ervaring putten.”
“Schrijfster. Nikita is een vrouw.”
Peter keek haar raadselachtig aan.
“Zou het echt geen pseudoniem zijn? Nikita Romanova, zo heet toch niemand?”
“Vast wel. Nou ja, niemand weet het precies, ze geeft nooit interviews en de uitgeverij doet ook al heel geheimzinnig. Maar een feit is dat de hele Benelux die boekjes vréét.”
“Het vrouwelijke deel van de Benelux dan toch zeker…” zei Peter schamper. Maar hij kon een glimlach niet onderdrukken. Hij wilde haar niet de waarheid over Nikita Romanova vertellen, die zou ze trouwens niet eens geloven…
Hij stond op, deed twee kaarsen aan en dimde het licht. Vervolgens zocht hij in een kastje met cd’s naar geschikte muziek.
“Wat vind je mooi?”
Melissa haalde haar schouders op.
“Alles wel wat met liefde gespeeld wordt. Behalve Mantovani. En ook maar geen house, als je het niet erg vindt.”
Hij was verrast. Alles wat met liefde gespeeld wordt. Die opmerking raakte hem, hij wist niet precies waarom.
Hij zocht iets van Schubert uit en vleide zich weer naast haar.
Ze luisterden zwijgend naar de muziek. Melissa nam hem van terzijde op. Hij had een wat mager, intelligent gezicht, met kleine lijntjes bij zijn ogen. Soms zette hij een leesbril op, om het etiket op de wijnfles te lezen, of de hoes van een cd. Er ging rust van hem uit. Rust, en een comfortabel soort warmte.
Het was al bijna licht toen Melissa naar de “Zeemeeuw” ging. Peter bracht haar tot aan de deur. Hij vond het jammer dat de nacht voorbij was, hij had nog uren bij haar willen blijven maar ze vielen allebei haast om van de slaap.
“Welterusten…” fluisterde Melissa. Hij maakte geen aanstalten om te vertrekken. Hij keek haar aan, zijn gezicht was vlak bij het hare… Ze waren zich beiden bewust van de aantrekkingskracht die ze op elkaar hadden.
In het oosten begon het te dagen. Een meeuw scheerde krijsend boven hun hoofden.
Toen voelde ze ineens zijn lippen op de hare…
Daarna rende hij meteen het duin af, zonder iets te zeggen. Melissa ging naar binnen. Verward leunde ze tegen de deur. Hij had haar gezoend. En ze had hem héél lang terug willen zoenen…
Het was al ver in de namiddag toen Melissa wakker werd. Ze had heerlijk geslapen en met tegenzin stond ze op. Nog met haar gedachten bij de vorige nacht maakte ze een ontbijt klaar. Ze kon aan niets anders meer denken dan aan Peter. Was ze verliefd aan het worden? Zo gauw al na Johan? Dat was vast niet erg verstandig. Mannen moesten maar even geen rol in haar leven spelen voorlopig. Maar hoe ze haar best ook deed, ze kon niet anders dan bekennen dat ze helemaal weg was van die onhandige professor. Zou hij nog slapen? Ze opende de gordijnen en terwijl ze haar koffie roerde, tuurde ze naar de “Reiger”. Daar waren de gordijnen ook al open. Peter was dus wakker. Wat zou hij vandaag verder gaan doen? Ze hadden niet afgesproken om elkaar weer te ontmoeten. Misschien was hij haar allang vergeten, betekende die zoen niets voor hem.
Ze ergerde zich aan haar eigen gedachten. Het zou allemaal wel meevallen. Misschien werd het nog wel iets tussen hen twee. Ze grinnikte. Mia zou haar eens moeten zien, die geloofde het nooit.
Melissa liep over het strand naar West om haar fiets op te halen. Ze genoot van de zilte lucht. De storm had van alles het strand op gespoeld, touw, hout, zeewier en een hoop plastic rommel. Ze vond nog een paar mooie schelpen die ze in haar zak stak. Het was al schemerig toen ze terug fietste naar het zomerhuis. Ze zette haar fiets neer en tuurde naar de “Reiger”. Er brandde nu licht. Ze besloot Peter op te zoeken. Net toen ze wilde gaan hoorde ze een automotor.
Er kwam een taxi aan die voor de “Reiger” stopte. het portier ging open en een jonge vrouw met schitterend rood krullend haar stapte uit. Terwijl ze naar de voordeur van de “Reiger” liep, ging die open en verscheen Peter in de deuropening. De jonge vrouw liep nu snel naar hem toe en omhelsde hem hartstochtelijk.
Melissa kromp ineen. Het deed gewoon zeer die vreemde vrouw in Peters armen te zien. Ze draaide zich resoluut om en ging naar binnen.
Peter kreunde.
“Wat kom jij in hemelsnaam hier doen? En hoe wist je dat ik hier was?” vroeg hij nors aan de vrouw die zich aan hem vastklemde.
“O, schat, ik móet je gewoon zien. Je moeder heeft me je adres gegeven.”
“Schat? Eva, ik wil niet zeuren, maar ik ben echt je schat niet, hoor.”
“Zullen we naar binnen gaan? Ik heb je iets te vertellen.”
Peter zuchtte en nam haar koffer over. Die was knap zwaar. Ze was zeker van plan lang te blijven maar daar had hij nou echt geen zin in. Hij ging haar voor naar de woonkamer. Nog voor ze haar jas uit had, vloog ze hem alweer om de hals.
“Peter, ik heb een nieuwtje. Je wordt vader…” Ze wees op haar buik.
Een tijdje kon hij niets uitbrengen.
“Hoe bedoel je, vader?” stamelde hij tenslotte, “We hebben nog nooit met elkaar gevreeën, hoe kan ik nou vader worden?”
“Weet je nog dat feest in Wassenaar?” zei Eva hees. Ze probeerde zwoel te kijken maar Peter vond haar alleen maar vervelend.
“Ja, dat feest herinner ik me nog wel. Een beetje. Maar toen hebben we toch niet…? Jij en ik?” Hij keek haar ongelovig aan. “Bestaat niet. Het kan niet. Dan zou ik het heus nog wel weten.” Ze probeerde hem een loer te draaien. Ze wilde gewoon trouwen.
Eva glimlachte naar hem en probeerde een verleidelijke houding.
“Je was vreselijk dronken die avond. Maar ik ben niets vergeten…” zei ze zacht, “En voor het geval jij dat wel bent: hier is de zwangerschapstest.” Ze toonde hem een wit buisje met een soortvenstertje waar een blauwe vlek te zien was.
Peter zweeg. Hij keek uit het raam naar de “Zeemeeuw” waar nu licht brandde. Daar zat Melissa zich nu waarschijnlijk af te vragen of ze ooit nog wat van hem zou horen. En hij zat hier met die Eva.
“Hoor eens, Eva, je vertrekt morgen met de eerste boot en dan denk ik nog eens na over wat je gezegd hebt. Ik beloof je dat, mocht je echt zwanger zijn, we samen een oplossing zullen vinden.”
“O, die oplossing lijkt me nogal voor de hand liggen, toch?” Ze wreef haar duim over haar rechter ringvinger.
“Een ringetje hier?”
“Trouwen? Maar ik hou niet eens van je…” baste Peter.
“Dat valt allemaal te regelen, liefje. Samen komen we daar wel uit.” Ze zond hem een intrigerend glimlachje. Hij negeerde haar en pakte een boek.
Melissa had intussen iets te eten gemaakt en staarde naar buiten over de donkere zee. Ze voelde zich ineens alleen. Ontzettend alleen. Peter had haar gezoend en nu zoende hij weer een andere vrouw. Zo ging dat blijkbaar. Wie zou ze zijn? Zijn vrouw?
Ze probeerde haar gedachten wat af te leiden met haar roman.
“…Zou ze hem ooit nog zien? Had het lot hen nu al weer uit elkaar gehaald, net zo als het hen bij elkaar had gebracht? Nikita wierp haar haar naar achteren. Nee! Ze zou dit keer vechten voor haar geluk. Ook al was die andere vrouw nog zo mooi en intrigerend…”
Nikita heeft makkelijk praten, dacht Melissa. Vechten voor je geluk… Met haar en Peter was het anders, ze kenden elkaar nog maar net. Eén zoen. Geen adres of zelfs maar een woonplaats kenden ze van elkaar. Welk geluk?
Ze legde het boek neer. Nog uren luisterde ze naar het razen van de zee, toen viel ze in een droomloze diepe slaap.
De volgende morgen werd ze heel vroeg wakker, het was nog donker. Ze douchte en zette koffie. Ze voelde zich beter dan die avond ervoor, de nachtrust had haar goed gedaan. Roerend in haar koffie overpeinsde ze haar mogelijkheden. Ze kon hier gewoon blijven en Peter vergeten, ook al logeerde hij in het naburige zomerhuis met een andere vrouw. Ze kon weggaan en Peter vergeten. Vergeten moest ze hem in ieder geval.
Ik kijk het gewoon nog een dagje aan, besloot ze. Ze zette de tv aan voor het nieuws.
In de “Reiger” sjokte Peter wat moedeloos door de woonkamer. Hij had slecht geslapen. Hoewel hij zijn slaapkamer deur had vergrendeld die nacht, was hij als de dood geweest dat Eva toch op de één of andere manier binnen zou weten te komen. Bespottelijk. Ze moest zo gauw mogelijk weg. Over een dik uur ging de eerste boot en daar moest ze op zitten.
Hij had thee gezet en wat boterhammen gesmeerd en klopte aan op de deur van Eva’s kamer. Geen geluid. Ze sliep natuurlijk nog.
“Eva, wakker worden, je moet zo met de veerboot mee…” Hij bonsde nu wat harder op de deur maar het bleef stil. Peter vloekte hardop en smeet het dienblad op de grond. Hoe kreeg hij dat mens ooit weg?
Hij liep terug naar de woonkamer en zette de tv aan. Het nieuws begon.
Melissa hoorde het buitenlandse nieuws nog wat afwezig aan, maar toen opeens schoot ze overeind. Op het scherm verscheen een gebouw dat ze heel goed kende. Het was het oudheidkundig museum van professor Lutjes. Een brandweerauto stond ernaast, zwarte rook vulde een deel van het scherm.
“Door een nog onbekende oorzaak is het oudheidkundig museum van professor Lutjes in Den Haag in de as gelegd. De brand brak vannacht om een uur of twee uit. Een geluk bij een ongeluk noemde de professor, dat bijna de gehele collectie van het museum tijdelijk naar Leiden is overgebracht voor een expositie. De schade wordt op ruim anderhalf miljoen gulden geschat…” Verstomd staarde Melissa naar de tv. Het duurde even voor ze weer gewoon kon denken. Arme Lutjes! Zijn levenswerk in vlammen opgegaan! Ze moest zo snel mogelijk terug naar Den Haag. Als ze opschoot, kon ze de eerste boot nog halen…
Peter stapte terug de woonkamer in. Die stomme Eva ook, nu had hij het nieuws gemist. Ze wist niet hoe de douche werkte. Of hij dat even wilde uitleggen. Jawel hoor, daar stond ze in haar nakie. Nou ja, over een half uur was er weer een nieuwsuitzending, het belangrijkste was dat Eva in ieder geval de boot nog kon halen. Tenminste… Ze bleef wel erg lang onder die douche staan…
Melissa had haar spullen gepakt en op haar fiets gebonden. Ze pakte het boeket gele en rode bloemen uit de vaas en rook er even in. Ze haalde één bloem er uit en stopte die in haar tas, de rest van het boeket smeet ze in de biobak. Zonde. Het huisje was verder schoon en ze kon vertrekken. Even keek ze naar de “Reiger” voor ze opstapte. Ze besloot toch maar afscheid te nemen, Peter was al op zo te zien want er brandde licht. Ze naderde de “Reiger” met bonzend hart. Net toen ze haar fiets neer wilde zetten hoorde ze een vrouwenstem roepen: “Peter, wil je m’n rug even afdrogen schat?” Ze kon niet horen wat het antwoord was en dat wilde ze ook niet. Snel stapte ze op haar fiets en reed weg. Tranen gleden over haar wangen, ze verwijderde ze vlug. Niet meer omkijken, besloot ze. Doorfietsen.
Ze haalde de boot nog maar net. De fiets had ze bij het verhuurbedrijf geplaatst met een kort briefje over de reden van haar overhaaste vertrek. De sleutel van het zomerhuisje had ze op dezelfde wijze afgeleverd in de brievenbus.
De boot vertrok en het werd licht. De Waddenzee lag er vredig bij. Terwijl de boot de haven uitdraaide, gleden de laatste vuurtorenstralen over de zee. Ze keek naar de contouren van de duinen in de verte. Daar was Peter… Peter en die andere vrouw…
Op dat moment brieste Peter door de slaapkamer deur tegen Eva: “Nou heb je de boot gemist! Heb je nou je zin! Dat was de opzet natuurlijk. Maar er gaan nog wel meer boten en het zal me lukken je vandaag nog van dit eiland af te krijgen.” Boos liep hij voor de zoveelste maal de woonkamer in. Niet te geloven dat mens. Een bord voor d’r kop, minstens een halve meter dik. Bruusk zette hij de tv weer aan. Nu kon hij dan eindelijk het nieuws zien.
“…De brandweer heeft nog geen idee hoe het vuur is ontstaan. Professor Lutjes, hoe groot is de schade?”
Perplex staarde Peter naar de oude man die nu in beeld kwam.
“De schade aan het gebouw is enorm”, zei de oude man vermoeid. Hij zag er verfomfaaid uit, zijn bril stond scheef op zijn neus. “Waarschijnlijk is dit het einde van het oudheidkundig museum…”
Lutjes… Het museum! Hij moest Melissa waarschuwen… Hij rende de deur uit en het duin af. Bij de “Zeemeeuw” leek alles uitgestorven. Hij bonkte op de deur, riep dat ze moest opendoen. Toen zag hij een paar bloemen uit de biobak steken. Hij tuurde naar binnen. Alles was netjes en opgeruimd, geen spoor meer van Melissa. Ook haar fiets was weg. Ze heeft natuurlijk het eerste nieuws gezien, dacht hij. En de eerste boot genomen. Zonder afscheid…


By on 11:10
Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Den Haag zag er miezerig en nat uit. Melissa stapte uit de trein en haastte zich naar de uitgang van het station. Ze schoot een taxi in en even later was ze op de plek waar eens het oudheidkundig museum had gestaan. Er restte slechts een zwarte rokende puinhoop. De geur van verkoold hout drong zich in haar neus. Melissa schrok, het zag er nog erger uit dan ze had verwacht. Dit was echt een ramp.
Her en der lagen nog voorwerpen die eens in het museum hadden gestaan. Geblakerde stoelen, gesmolten ijzeren kasten, een spiegel aan gruzelementen. Alles lag door elkaar en schots en scheef. Melissa dook onder het roodwitte lint door dat de politie gebruikte als afbakening. Ze scharrelde door de puinhopen, op zoek naar iets, om nog te redden, het maakte niet uit wat. Ze vond een halfverbrand beeldje uit Mesopotamië, het was niet meer te herstellen. Ze legde het voorzichtig aan de kant. Toen viel haar oog op een blauw schitterend steentje, ze wist meteen wat het was, de ring uit het Lepsiuslegaat zoals ze die noemden, een nalatenschap van een excentrieke oude dame, die nog familie was geweest van de ontdekkingsreiziger Lepsius. Het was een gouden ring met een fonkelende blauwe edelsteen, zo te zien een saffier. De steen had een bewerkte omlijsting. Van de rest van het legaat, dat ze nog aan het uitzoeken waren toen Melissa vertrok naar Terschelling, was niet meer over. Ze raapte de ring op. Voor ze er erg in had, schoof ze hem om de middenvinger van haar rechterhand. Hij paste precies.
Intussen liep professor Lutjes op een agent af, die Melissa van het terrein wilde verwijderen. Hij maakte een wuivend gebaar en kwam toen naar Melissa toe. De regen had zijn jas doorweekt, zijn gezicht zag er vermoeid en oud uit. Melissa viel hem snikkend om de hals.
“Wat vreselijk… Al uw werk…”, stamelde ze. De professor knikte bedroefd.
“Gelukkig is er niemand gewond geraakt. Maar het museum is verloren. Voorgoed.” Hij staarde triest over de smeulende puinhoop.
“En dat nog wel op m’n verjaardag”, zuchtte hij.
“O, ja, nog gefeliciteerd”, zei Melissa en kon zich meteen wel weer voor haar hoofd slaan. Er viel een sombere stilte. Buiten regende het nog altijd.
Melissa’s oog viel op de ring die ze aan haar vinger had geschoven.
“O, professor, dit vond ik in de as. Verhip, ik krijg hem niet meer af. Dat is raar…”
Professor Lutjes bekeek de ring. Hij haalde zijn schouders op.
“Hou hem maar. De rest van het legaat is toch ook verloren gegaan. Jammer dat we ons onderzoek niet hebben kunnen afronden. Het lijkt me een voorwerp uit de tijd van de Negentiende Dynastie. Of eerder”, zei hij afwezig. Samen liepen ze nog een laatste maal over het ontluisterde terrein, toen nam Melissa de oude man bij de arm en loodste hem naar een naburig café waar ze hem een hete soep liet brengen.
Lutjes lepelde dankbaar van de hete vloeistof. Toen hij wat op temperatuur was, begon hij te praten.
“Ik sprak daarnet nog met de brandweercommandant. Het is aangestoken. Opzet!”
“Wat? Maar… maar dat is misdadig! Wie sticht er nou brand in een museum?” Verontwaardigd zette ze haar koffiekop neer. De professor knikte langzaam.
“Waarom? Dat is de vraag… Wat kan er in ons museum zijn geweest dat iemand tot zoiets aanzet?”
“Misschien was het een pyromaan”, opperde Melissa. De professor haalde zijn schouders op.
“Hoe het ook zij, het is allemaal weg. Het museum zal niet meer worden herbouwd.”
“Weet u dat wel zeker? De verzekering zal toch wel betalen?” Melissa was ongerust. Lutjes klonk zó intens triest.
“Ik heb er geen zin meer in, Melissa. Ik ben nu exact zeventig jaar, en om me nou weer in een nieuw avontuur te storten met een nieuw museum, nee. Het wordt toch nooit meer zoals het was.”
Ze wachtten nog een tijdje tot het droog werd en namen toen afscheid van elkaar.
Arme Lutjes, dacht Melissa nogmaals, hoe moet het nou verder met hem? En met mij? Daar had ze nog niet eens bij stil gestaan. Haar werk in het museum was nu ook voorbij. Misschien kon ze haar studie nu eindelijk eens afmaken…
Ze slenterde door de schemerige straten van Den Haag. Haar tas woog zwaar en ze was blij toen ze haar huis naderde. Ze hoorde vioolspel, de jongen op vierhoog oefende weer eens fanatiek. Het klonk triest, melancholiek, precies zoals zij zich voelde. Langzaam liep ze de drie trappen op naar haar flat. Daar aangekomen opende ze de deur en gaf een gil van schrik. De flat was één grote puinhoop. Kleren, borden, boeken, alles lag over de vloer. De meubels waren allemaal verschoven en met een mes bewerkt, haar verzameling Etruskische vaasjes lag aan scherven…
“Een inbraak…”, fluisterde ze terwijl ze langzaam langs de deurpost naar beneden zakte en op haar hurken bleef zitten, “dat kan er ook nog wel bij…” Een tijd lang was ze niet in staat iets te doen. Toen stond ze op en liep, af en toe achterom kijkend, naar de voordeur van de buren. Ze belde aan. De buurvrouw ontfermde zich meteen over haar en sprak kalmerende woorden terwijl ze een glas water inschonk.
De politie arriveerde snel en vroeg haar of ze iets miste. Maar ook na lang zoeken bleek er toch niets weg te zijn. Er was alleen wel veel schade. Voor het meeste was ze verzekerd. Maar ook onvervangbare, unieke voorwerpen waren kapot. De telefoon deed het nog wel en ze belde Mia. Al na een paar woorden wist Mia dat het goed mis was.
“Kom maar gauw hier logeren”, zei ze beslist.
Nadat de politie en de man van de verzekering geweest waren, de buren gehoord (ze hadden geen van allen iets gemerkt) en een timmerman de balkondeur had gerepareerd waarlangs de inbreker was binnengedrongen, zocht Melissa wat spulletjes bij elkaar. De troep liet ze voorlopig maar even de troep. Ze wilde nu voornamelijk even op adem komen. Gelukkig kon ze altijd bij Mia terecht…
Een inbraak maar er was niets gestolen, alleen maar overhoop gehaald, alsof er naar iets was gezocht… Wat had ze dat iemand zo graag wilde hebben? Ze zat in de bus op weg naar Mia. Ineens sloeg ze een hand voor haar mond… De Nijlcode… Dat was het enige waardevolle dat in haar bezit was en dat niet overhoop was gehaald of vernield. Dat kon ook niet. De Nijlcode zat immers veilig opgeborgen… in haar hoofd!
Maar dat was toch te zot voor woorden. Ze zette het uit haar gedachten.
Het was al laat toen ze bij Mia aankwam. Er brandde licht achter al de ruiten, de stemmen van Mia’s twee kinderen klonken ondanks het late uur nog vrolijk door het huis. Ab, de man van Mia, was weer eens bezig met de boormachine. Mia zou wel naar de televisie kijken, naar de een of andere romantische film. Ze aarzelde even toen ze op de stoep stond. Het was gezellig bij Mia, maar ook altijd zo vreselijk druk. Nou ja, ze was er nou eenmaal toch. Ze drukte op de bel. Mia deed open en sloot haar meteen in haar armen. Even slikte Melissa, het was alsof ze nu pas echt thuis kwam. De warmte van de ouderwetse houtkachel kwam haar tegemoet toen ze de woonkamer binnen ging.
Melissa bleef enkele dagen bij haar vriendin en knapte snel op van de schrik.
Het was op een stralende februaridag dat ze gewapend met een ladder en twee grote blikken verf de trap naar haar flatje weer opliep, gevolgd door Mia, die puffend en zwetend haar mollige gestalte alleen al te zwaar vond voor al die treden.
“Kun je niet eens in een normaal huis gaan wonen? Zoals ik? Met maar één trap. Allemachtig, dit is echt niet goed voor een mens. Is die jongen nou nog niet uitgestudeerd op de viool? Ik vind niet dat ie erg vooruitgaat. Ik snap het niet, hoor je hebt toch hoogtevrees? Dan ga je toch niet op een flat wonen?”
“Zeur toch niet zo, mens. Het is maar driehoog. Je hebt gewoon geen conditie en die jongen is bijna afgestudeerd aan het conservatorium, dan gaat ie in De Helder wonen, geloof ik. We zijn er. Weet je wat, ik ga zo dadelijk eerst eens m’n post ophalen, dat zal wel een hele stapel zijn. Voilà, treed binnen en let maar niet op de rommel.”
Mia bereikte de flat met een dikke rode kleur van inspanning.
“Allemachtig, wie heb jij op bezoek gehad? Er is werkelijk niets meer heel…”
Melissa zuchtte.
“De politie heeft helemaal geen idee. Ik denk niet dat er ooit een antwoord op die vraag zal komen.”
“Welke vraag was dat?”
“Wie ik op bezoek heb gehad, sufferd. Laten we straks beginnen met alle meubelen naar beneden te dragen. Om vier uur komt er een wagen van de gemeentereiniging om alles naar het stort te brengen.”
“Ben jij gek? Met die loodzware meubelen al die trappen af? Dat is geen doen…”
“We nemen natuurlijk de lift.”
Mia keek haar ontzet aan.
“Wat vertel je me nu? Is hier ook een lift in het gebouw? Waarom heb je me dat nooit eerder verteld? Ik sjouw me het leplazerus elke keer als ik hier kom…”
“Je komt hier nooit, ik kom altijd naar jou.”
“Ja, omdat ik niet weet dat hier een lift is. Trut.”
“Rust maar even uit. Ik haal de post en dan gaan we eens lekker aan de slag.”
Mia knikte haar cynisch na.
“Ja hoor. Lekker. Ik zet eerst even koffie, als je het niet erg vindt. Als het koffiezetapparaat het tenminste nog doet.”
Melissa rende intussen de trap af. Voor de lift had ze even halt gehouden, maar ze stapte er niet in. Nog steeds niet. Haar hart begon te bonzen bij het idee alleen al. Dat werd straks nog een probleem met de meubels.
Haar brievenbus puilde uit. Het meeste was onzin dat meteen bij het oud papier kon. Verder natuurlijk rekeningen. Er waren ook twee kaartjes van Johan die ze haastig las terwijl ze de trap opliep. Hij had spijt van zijn woorden, had gehoord van de brand en wilde haar graag nog eens ontmoeten. Het tweede kaartje was van gelijke strekking. En dan was er nog een brief. Een keurige envelop, geen afzender. Melissa was nieuwsgierig maar vergat alle post toen ze de koffie rook.
“Ah, heerlijk, laten we daar maar mee beginnen.” Ze legde de enveloppen neer op het aanrecht en plofte naast Mia op de bank.
“Zo. Rust. En vertel me nou eens over die man in zijn onderbroek waar je over schreef. Nou ben je dagenlang bij me thuis geweest en nou weet ik het nog niet. Nou? Onderbroek?”
Melissa haalde diep adem en vertelde het hele verhaal. Mia lachte.
“Wat ben jij een sekreet, zeg. Waarom gaf je hem die schipperstrui dan niet?”
“Pff, die arrogante kerel, dacht ik. Op het strand deed ie zo nijdig tegen me, ik wilde hem er eens mooi tussen nemen. Maar het mooiste komt nog…” En ze vertelde verder over het boeket, de uitnodiging en het dineetje.
“Hoe zeg je dat hij heette? Beijsterveldt? Ken ik! Uit de bladen. Die is niet alleen professor, hij is ook nog eens baron! Jawel! Ik heb hem laatst nog op zo’n society pagina gezien met een hele mooie rooie vrouw…” Mia ging enthousiast rechtop zitten.
“Ik heb hem in het écht gezien met een hele mooie rooie vrouw”, zei Melissa somber. “Baron? Daar heeft hij me niets van verteld. Een beroemdheid dus. Nou ja, het eindigde dus zo:…” en ze vervolgde haar relaas. Mia keek haar peinzend aan.
“Misschien was het zijn zuster?”
“Ja: “Schat, droog je m’n rug even af”, dat zeg je nog al vaak tegen je broer.”
“Weet jij veel, je hebt geen broer.”
“Wil je nog koffie? Ja? Mooi, neem voor mij dan ook wat mee, oké?”
Mia hees zich mopperend uit de bank.
“Zullen we weer eens gaan lijnen?” opperde ze.
“Ik heb al maat zesendertig, dank je. Je moet gewoon meer bewegen. Zullen we gaan joggen? Iedere dag een uurtje? Nu ik geen werk heb, heb ik tijd zat. Krijg je conditie. Nou, wat zeg je? Onder schooltijd?” Mia knikte.
“Best. Maar ik ben weer bezig met een verhaal.”
“O, leuk. Voor een wedstrijd?”
Mia knikte weer.
“Veertigduizend woorden willen ze. En ik weet helemaal niet waar het over gaan moet. Tot zover heb ik een moord en een ontvoering geprobeerd, maar het is allemaal te serieus.”
“Seks. Je moet er gewoon veel seksscènes in doen. Dat ze door wellust en begeerte worden overvallen. En wat is er mis met serieus?”
“Niks.”
“Seks. Maar wel mèt condoom. Veiligheid voor alles.”
“Ja, dààg, condooms. Dan worden ze dus overvallen door hartstocht en wellust en wat zei je, begeerte, in bijvoorbeeld de woestijn. Hoe komen ze dan aan condooms? Ach wat, nemen ze maar een boterhamzakje.” Mia haalde onverschillig haar schouders op. Melissa lachte.
“Maar nu moeten we toch echt aan de gang”, zei Melissa streng.
“Zat er niets bij de post?” probeerde Mia om het werk nog wat uit te stellen.
“Helemaal niets.” Toen herinnerde Melissa zich de brief zonder adres. Ze pakte hem uit de stapel post en opende hem snel.
“Nee maar… Mia, dit gelóóf je niet… Hij is van Peter Beijsterveldt… Professor Beijsterveldt.”
“De baron…”, vulde Mia aan met ontzag in haar stem.

Nadat Mia vertrokken was en alle kapotte spullen door de reinigingswagen waren opgehaald (ze was nog met de lift geweest ook) las Melissa de brief van Peter voor de zoveelste keer over.
“Huis Beijsterveldt, Hagensteijn 2, Duynoord” luidde het briefhoofd.
“Geachte mevrouw Van Buren”, zo luidde de aanhef.
“Hierbij wil ik u uitnodigen voor een bijeenkomst op bovenstaand adres, op 23 februari aanstaande om 14.00 uur, aangaande een voorstel tot een betrekking.”
En dan een ondertekening. P. Beijsterveldt. Wat een raar briefje, dacht Melissa. Zo vreemd vormelijk, was het Peter wel? U. Hij schreef u. En een betrekking? Wat moest ze zich daar bij voorstellen? Belachelijk. Ze ging niet. Het was nu trouwens al 21 februari. En de 23ste viel nota bene op een zondag. Dat was wel een heel vreemde dag voor een sollicitatie. Ze zou maandag wel even bellen om te zeggen dat ze verhinderd was. Tot haar spijt. Ze verzon wel iets.
Zaterdags werden haar nieuwe meubels bezorgd en was ze druk met het verven van de flat. Ze had zich voorgenomen nu ook maar ineens een grote schoonmaak en opknapbeurt uit te voeren, dat was er in geen jaren van gekomen.
Mia hielp haar, voornamelijk door koffie te zetten.
“Ga je morgen nou nog?” vroeg ze nieuwsgierig.
“Ik peins er niet over”, zei ze vanaf de wiebelende trap waar ze met angst en beven de muur stond te verven.
“Joh, wie weet, heeft ie wel spijt van die rooie. Misschien kan hij je maar niet vergeten maar durft hij je niet te bellen of zo.”
“Doe niet zo maf. Geef dat andere blik eens aan als je wilt. Pas op, straks lig ik beneden.”
Mia zuchtte spijtig.
“‘t Is best een knappe man…” probeerde ze nog maar Melissa gooide haar een met verf besmeurde oude handdoek toe die op haar hoofd belandde.
De volgende dag besloot ze te gaan joggen. Zonder Mia, want die had ‘s zondags geen tijd. Ze stond vroeg op en trok haar roze joggingpak aan en deed haar haar in een staart en een zweetband om haar hoofd. Ze keek even in de spiegel. Nou ja, mooi was het niet, deze outfit, maar ze ging tenslotte alleen maar even joggen, niet op statiebezoek. Dacht ze.
Ze rende door de uitgestorven straten de stad uit, de duinen in. Het was rustig. Niet zo verlaten als het strand van Terschelling, maar toch kon ze ongestoord haar rekoefeningen doen. Ze hield er niet van als ze veel bekijks had.
De tijd vloog voorbij. Toen ze trek kreeg at ze haar drie appels achter elkaar op. Wat was het hier toch prachtig. Zo vlak bij de stad en toch helemaal in de natuur. Hierachter, wist ze, lag het kleine dorp Duynoord. Er stonden mooie oude villa’s, landhuizen zelfs. Ze had vaak genoeg gekeken en weggedroomd bij de gedachten daar te wonen. Maar ze had geen last van afgunst. De mensen die het konden veroorloven daar te wonen hadden dat vast wel verdiend, zo redeneerde ze laconiek. Was het adres in het briefhoofd van Peters uitnodiging ook niet hier in de buurt? Ze kon natuurlijk eens stiekem een kijkje nemen. Ze was er nou toch. Toevallig…
Huis Beijsterveldt lag in een schitterende duinvallei. Het was een eeuwenoud landhuis. Melissa kon op ruime afstand zien hoe fraai de tuin was aangelegd. Die Peter woonde niet gek. Maar ja, hij was ook een baron. Dat verhaal van die verarmde adel in Nederland sloeg zeker niet op hem. Gelukkig had ze besloten niet op zijn uitnodiging in te gaan. Ze durfde voor geen goud de oprijlaan van zo’n sjiek huis te betreden. Doodnerveus zou ze zijn geweest. Niks voor haar…
“Stop! Wacht nou toch! Stom beest!” hoorde Melissa opeens iemand gillen. Het kwam achter haar vandaan. Een wat oudere dame rende zo hard ze kon achter een klein, zwart hondje aan, dat een riem met zich mee sleepte. Losgebroken, begreep Melissa. Daar gaan we weer, dacht ze. Hoeden, hondjes, ik vang alles. Misschien moet ik daar mijn beroep maar van maken.
“Farao! Staan blijven! Stomme teef!” schold het dametje terwijl ze hijgend het duin op kwam. Ze stopte even om op adem te komen. Melissa rende intussen in gestrekte draf achter het beestje aan.
“Kom hier, mops. Wou jij er vandoor?” zei ze fluisterend toen het dier even stil stond om aan een struik te snuffelen, en dook naar de hond. Ze had haar, na twee pogingen die in de modder eindigden, beet.
“Hebbes. Mevrouw, uw hondje!” Melissa krabbelde overeind en overhandigde Farao aan zijn bazinnetje.
“Kind, bedankt. Dat stomme dier. Altijd als ik haar uitlaat, wil ze er vandoor gaan. Hè Faraootje?”
“Grappige naam voor een teefje. Farao”, zei Melissa.
De vrouw lachte.
“Dat kwam door mijn zoon. Die heeft haar gekocht, met stamboom en al, denkend dat het een reutje was. Eerst wilden we haar Rex noemen, maar toen werd het Farao. En een jaar later pas, toen ze al aan het bevallen was van haar eerste nestje jongen, kregen we onze vergissing door. Maar kind, wat zie je er uit. Modder. Weet je wat, knap je maar even bij mij thuis op. Ik zal je wat kleren lenen.”
Melissa sputterde tegen maar de bazin van Farao was heel doortastend.
“Niets ervan, gewoon meekomen”, verordonneerde ze. Melissa liep bedremmeld maar gedwee mee tot ze zag waar ze naar toe liepen.
“Huis Beijsterveldt? Woont u daar?” vroeg ze benauwd.
“Jazeker. Het is van mijn zoon, maar het is zo groot dat ik er gemakkelijk bij kan. Ik heet trouwens gewoon Annie hoor. Niks u of baronesse of zo. Daar heb ik toch zo’n hekel aan. Mijn vader was ook maar gewoon banketbakker. Wel met vierentwintig zaken, maar toch. Kom maar gauw binnen.”
Melissa overwoog even om hard weg te rennen. Hoe had ze zich hier nou weer in gewerkt? Het huis van Peter. Ze kreunde zacht. Als ze hem maar niet tegenkwam…
Annie loodste haar naar een badkamer en bracht haar een lichtkleurig mantelpakje van een bekende ontwerper.
“Je hebt dezelfde maat als ik, dus dit zal wel passen. Sjiek, hè. Ik breng je ook nog een panty en schoenen. Je joggingspullen kunnen in deze plastic tas. Ik laat het morgen allemaal wel naar de stomerij brengen.”
“Welnee… echt niet nodig, ik gooi het wel in de wasmachine…” protesteerde Melissa tevergeefs. Het was duidelijk dat de moeder van Peter geen tegenspraak duldde.
Even later zag ze zichzelf in het mantelpak. Ze zag er heel anders uit, realiseerde ze zich. Het stond haar best goed. Een beetje tuttig misschien. Ze kamde haar haren met de kam die Annie haar gegeven had en kwam voorzichtig de badkamer uit. Annie wachtte haar al op en keek haar tevreden aan.
“Zo, dat is beter. Kind, ben je fotomodel of zo? Zo’n mooi figuurtje.”
“Eh, nee. Ik heet trouwens Melissa van Buren.” Ze stak haar hand uit. Annie schudde die hartelijk. Toen fronste ze haar wenkbrauwen.
“Melissa van Buren? Die naam komt me zo bekend voor…”
“Uw zoon heeft me vanmiddag uitgenodigd, om twee uur. Voor een betrekking?”
“Verhip, dat is waar ook. Ik weet er alles van. Vind je het niet opwindend? Naar Egypte?”
“Egypte?” vroeg Melissa, “Ik weet van niets.”
“Dan zullen we dat eens gauw veranderen….”, klonk opeens een donkere stem.
Peter! Daar stond hij, halverwege de trap. Ze rilde even. Hij glimlachte en stak zijn hand uit.
“Melissa…”
“Dag Peter…” fluisterde ze. Ze voelde een vreemde sensatie in haar onderbuik. Ze kon een glimlach niet onderdrukken. Terwijl ze toch eigenlijk kwaad op hem wilde zijn. Ze wilde hem toch nooit meer zien? Of hoe zat dat?
Peter keek op zijn horloge.
“Je bent aardig op tijd. Heb je zin om mee te eten, we gaan zo lunchen.”
“Wat leuk dat jullie elkaar al kennen, dat wist ik helemaal niet.” Annie keek hen vriendelijk aan.
“Eh, Peter, vergeet je niet dat Eva ook komt lunchen?” vroeg ze zachtjes zonder dat Melissa het hoorde. Peter maakte een geërgerd gebaar.
De eetkamer was gezellig en ietwat rommelig ingericht, met ouderwetse stoelen die allemaal anders waren en veel bloemen en planten. Melissa bewonderde de schilderijen en oudheidkundige voorwerpen die aan de muren hingen.
“Hé, dat is een replica van de armband van Toetmoses de tweede, nietwaar? Schitterend.”
“Je hebt er verstand van, meisje.” De moeder van Peter keek haar bewonderend aan en wees haar haar plaats.
“Ga zitten. O, daar is Eva ook al, ik zie haar auto aankomen. Peter, doe jij even open? Gerard is bezig in de keuken.” Ze wendde zich tot Melissa.
“Personeelstekort. Bezuinigingen. De huisknecht moet nu ook koken. Gelukkig kan hij dat uitstekend.”
Melissa voelde zich bleek worden. Eva kwam ook. Dat was natuurlijk die vrouw die Peter op Terschelling op bezoek had. Ze wilde wegrennen. Ze stond op.
“Wat is er, kind?” vroeg Peters moeder bezorgd.
“Ik eh, ik bedenk ineens dat ik naar huis moet. Een afspraak…” stamelde Melissa.
“Onzin, het is al half twee. Over een half uur word je hier sowieso verwacht. Bel anders maar even dat je niet kunt.” Annie, de doortastende dochter van de succesvolle banketbakker, wees naar een ouderwets wit telefoontoestel. Melissa ging weer zitten.
“Ach, laat ook maar”, mompelde ze. Eva kwam binnen.
Even viel er een stilte. Eva zag er adembenemend uit in een zeegroene strakzittende japon die prachtig harmonieerde bij haar koperrode haar. Aan haar make-up had ze zeker een uur besteed. Ze droeg oorbellen en een armband in exact dezelfde kleur als haar jurk. Ze was een plaatje en dat wist ze. Peter kwam achter haar binnen en hielp haar galant aan tafel.
“Eva, dit is Melissa van Buren. Melissa, Eva Hermans. Mijn verloofde.”
Ze stonden allebei half op en raakten elkaars handpalmen boven de tafel. Peters moeder keek het tafereeltje geïnteresseerd aan.
Peter voelde zich opgelaten. Wat zou het een heerlijke lunch zijn geweest als Eva en zijn moeder er niet waren met hun hinderlijke gebabbel. Hij glimlachte naar Melissa. Ze glimlachte stroef terug. De klap was hard aangekomen. Zijn verloofde! Hoe kreeg hij het in zijn hoofd om haar uit te nodigen als zijn verloofde er ook was! Die zoen was hij zeker al vergeten…
“Ik heb mejuffrouw Hermans al op Terschelling gezien, bij haar aankomst bij de “Reiger”, het zomerhuisje van je vrienden”, hoorde ze zichzelf ineens zeggen, “Weet je nog, Peter, het was niet lang na die stormnacht, toen je ineens in je onderbroek voor mijn deur stond? Of ben je dat vergeten?”
Eva draaide zich met een vragende blik naar Peter, die rood aanliep. Zijn moeder knikte vriendelijk.
“O, ja, dat verhaal heeft hij me verteld… Dus dàt was jij.”
“Nou, mij heeft hij anders niets gezegd”, zei Eva verontwaardigd.
“En hij heeft me ook verteld hoe je hem een roze wollen trui hebt geleend. Ook toevallig…”, zei Annie genietend.
Melissa zond haar een wanhopige blik. Ze had er geen behoefte aan dat de anderen wisten dat ze in geleende kleren aan tafel zat. Ze besefte dat ze zich nu voelde zoals Peter zich in die te kleine trui moest hebben gevoeld en ze schaamde zich.
Annie gaf haar een bemoedigende knipoog. Ze zou zwijgen, begreep Melissa. Intussen gaf Peter in zakelijke bewoordingen een verslag van het gebeurde. Ze heeft Eva gezien, dacht hij, en ze heeft haar conclusie getrokken natuurlijk.
“Wat grappig”, snoof Eva. Ze begon weer een gesprek met Annie en draaide zich half weg van Melissa die onhandig klungelde met haar soep. Ze voelde Peters ogen op zich gericht en nam een moedig besluit. Zodra de lunch achter de rug was, ging ze er vandoor. Weg van Peter en zijn verloofde.
Het was alsof zijn moeder haar gedachten had geraden. Ze viel Eva halverwege een zin in de rede.
“Zeg Peter, Melissa wist eigenlijk niet precies wat voor baan je haar wilde aanbieden. Over Egypte had ze ook nog niets vernomen. Je had me die uitnodiging ook moeten laten lezen”, voegde ze er verwijtend aan toe, “Je bent zo’n slecht schrijver…”
“Daarom heb ik dus een secretaresse nodig. En professor Lutjes raadde me aan jou te vragen. Na die vreselijke brand…”
“Ja, wat ontzettend”, zei zijn moeder,” Is er al een oorzaak bekend?”
“Het was aangestoken, meer weet ik niet.” Melissa fronste haar wenkbrauwen. “Ik heb professor Lutjes al een tijdje niet meer gesproken, ik was nogal uit m’n doen…”
“Dat spreekt…” zei Peters moeder.
“Ook omdat er dezelfde nacht bij mij was ingebroken…”
Peter schrok op van zijn soep. Hij keek haar bezorgd aan.
“Ook dat nog…” Hij floot even tussen zijn tanden.
“Het heeft je de laatste tijd niet erg mee gezeten, hè?”
Melissa bloosde. Eva, die de vriendelijke toon in zijn stem niet ontgaan was, maakte een opmerking over de toenemende criminaliteit in het land.
De lunch liep ten einde en Peter nodigde Melissa uit in zijn kantoortje. “Voor de details”, zei hij.
Het was aangenaam stil in het vertrek. Aan de wanden hingen foto’s van piramides. De zon scheen door het hoge raam. Ze nam plaats aan de tafel die Peter als bureau gebruikte. Peter ging tegenover haar zitten en keek haar recht in de ogen.
“Melissa, ik ben je wel een verklaring schuldig. Wat Eva betreft, bedoel ik…”
Melissa bloosde.
“Nee, hoor, je bent me helemaal niets schuldig.” Haar stem klonk onvast. “Niet vanwege één zoen…”
Eén zoen…was dat alles wat ze van die bijzondere nacht had onthouden? Peter begreep het niet. Maar hij besloot er niet verder op in te gaan.
“Goed. We zullen het maar hebben over de brief die ik je gestuurd heb. Je weet natuurlijk van de opgravingen bij de rotsen, ten zuidwesten van Charga.”
“Natuurlijk. Mijn vader was er als eerste buitenlandse archeoloog bij toen het graf van Neferhotep de 11de werd gevonden. Ze zijn er nog niet achter waarom die farao zo ver van de Nijl af begraven is. Het was een beetje een chaotische periode waarin hij leefde.”
“Dat weet ik. Maar nu is er, vlak bij die opgraving, een tweede graf ontdekt. Waarschijnlijk van een edelman, uit een latere dynastie. De werkzaamheden zijn nog in volle gang, maar over een aantal weken hopen ze de grafkelder te hebben geopend. Ik heb, als één van de weinige buitenlandse archeologen, een uitnodiging gekregen voor het bijwonen van die openlegging. Op de muren in de omgeving zijn hiëroglyfen van de Nubische variant gevonden, je weet wel, het nog niet ontcijferde schrift uit die tijd. Omdat je vader zoveel werk in de ontcijfering heeft gestoken, en ik van professor Lutjes weet dat je een uitstekende secretaresse bent, zou ik je willen vragen met me mee te gaan. Naar Egypte. Over vier weken. Je kunt m’n aantekeningen dan uitwerken, ik ben van plan colleges over de ontdekking te geven, volgend jaar.”
Melissa keek hem aan. Meende hij dat nou? Dacht hij nou echt dat ze met hèm mee zou gaan, waar dan ook naartoe? Absoluut niet. Ze stond op.
“Bedankt voor het aanbod, maar het zal helaas niet gaan”, zei ze stijfjes. Ze stak haar hand uit.
Peter negeerde de hand.
“Mag ik vragen waarom niet?” vroeg hij met op stroeve toon.
“Ik heb vliegangst. Je krijgt me voor geen goud in een vliegtuig. Het spijt me.”
Peter was eerst perplex, toen begon hij te lachen.
“Wie heeft het hier over een vliegtuig? We gaan met de boot.”
“We gaan met een boot? Varen?”
“Jazeker. Er vertrekt een vrachtschip naar Port Said, op de 24ste maart. Het schip neemt ons mee als passagiers. Alles is geregeld.”
“Alles?”
“Alles. Visa, hotel in Port Said, vervoer. De Egyptische regering regelt het allemaal. Heb je een pokkenbriefje?
Ze knikte langzaam.
“Dus je doet het?” vroeg hij gespannen. Melissa aarzelde. Ze hadden het nog niet eens over haar salaris gehad, ze wist niet eens hoe lang ze zijn secretaresse zou zijn…
“Ik doe het.” Ze had het gezegd. Nu begon het avontuur…

De volgende vier weken waren hectisch. Ze bracht verscheidene uren door met Peter in het zonnige kantoortje, om hun reis voor te bereiden. Enthousiast toonde hij wat foto’s met voorbeelden van het merkwaardige schrift, dat zo afweek van de “gewone” hiëroglyfen. Melissa knikte. Voor haar had het schrift geen geheimen, maar dat durfde ze niet te vertellen. Ze was bang dat Peter kwaad zou worden omdat ze zoiets belangrijks had verzwegen. Het was anders zó simpel: de zogenaamde Nubische variant was gewoon een soort geheimtaal om plunderaars te misleiden. De tekens waren dezelfde die de oude Egyptenaren ook gebruikten, alleen de manier waarop je ze moest lezen, was een beetje ongewoon… Om te beginnen moest het schrift van rechtsonder naar linksboven worden gelezen. En vervolgens van rechtsboven naar linksonder. Diagonaal dus… De overige tekens deden er helemaal niet toe en waren fantasietekens. Het was eigenlijk zó eenvoudig, dat haar vader haar de code had geleerd, toen ze nog maar dertien jaar was. Het mocht een raadsel heten waarom andere oudheidkundigen er nooit op waren gekomen.
In de tekst op de foto was sprake van een graf, zover kon Melissa het lezen. En dat graf was nu dus gevonden…
Ze raakte meer en meer opgewonden. Elke dag kwam ze wel even langs bij Peter en zijn moeder. Slechts af en toe was ook Eva daar op bezoek. Het viel Melissa op dat Peter iets gereserveerds kreeg in zijn houding tegenover haar, zodra zijn verloofde op de proppen kwam. Eva kon over de kleinste dingen vreselijke scènes maken, zoals die keer toen er een stukje glazuur van haar theekopje af viel. Ze foeterde de arme Gerard uit in de keuken. Alles wees er op dat ze zich aan het voorbereiden was om de scepter in het huis te gaan zwaaien. Peter leek het allemaal niet te merken, hij was geheel in beslag genomen door zijn ophanden zijnde reis.
Als Eva er was, ging Melissa meestal even met de hond wandelen. Peters moeder ging dan mee en samen praatten ze over van alles en nog wat.
“Wat een prachtige ring heb je daar. Heel oud zo te zien”. zei ze tijdens één van die wandelingetjes tegen Melissa.
“O, eh, die is eigenlijk niet van mij maar van Professor Lutjes. Ik krijg hem niet meer van mijn vinger. Met geen mogelijkheid….” Ze staarde peinzend naar het sieraad.
“Die ring hoort bij je. Je hebt dezelfde kleur ogen.”
Een andere keer vertelde ze wat meer over de jeugd van Peter.
“Hij is nogal een moederskindje, vrees ik”, zei ze terwijl ze een stok weggooide voor Farao. De hond rende er enthousiast achteraan.
“Ik ben van Peters vader gescheiden toen hij nog klein was en verhuisd. Toen zijn vader stierf, kwam ik hier weer wonen. Ik merkte dat Peter door zijn vader was opgevoed als een soort soldaat. Meer gedrild dan liefdevol, begrijp je?” Melissa knikte.
“Nou, en toen heb ik me voorgenomen hem te overspoelen met mijn liefde. Maar ja…” Ze schudde ietwat spijtig haar hoofd, “Te veel liefde kan ook verstikkend werken. Ik ben bang dat veel van Peters nare trekjes aan mij zijn te wijten…”
“O, maar zoveel nare trekjes heeft Peter toch niet?” haastte Melissa zich te zeggen. Ze bloosde. Ze meende haar woorden echter wel. Annie lachte.
“Hij is als enig kind erg verwend hoor!” zei ze.
“Ik ben ook enig kind, maar ik geloof niet dat ik erg verwend ben. Mijn vader stierf toen ik dertien was, mijn moeder werd meteen daarna ziek en de tante waar ik toen in huis kwam, was stokoud. Het kwam er op neer dat ik haar verzorgde in plaats van andersom. Maar ze was wel lief, hoor.”
“Kind, wat erg”, zei Annie warm. Ze pakte even de hand van Melissa.
“Ach, er waren ook wel leuke dingen, hoor. Zoals die tijd in Egypte, toen mijn vader daar bij de opgravingen werkzaam was. Een heerlijke, zorgeloze tijd was dat. Maar toen mijn vader zo plotseling omkwam in de woestijn, heb ik een hele nare periode gehad. Ik kreeg allerlei angsten, fobieën zou je kunnen zeggen. Een tijdlang durfde ik de straat niet op, ik dacht dat ik achtervolgd werd.”
“Allemachtig, heb je daar dan geen dokter voor geraadpleegd?”
Melissa lachte.
“Dat durfde ik niet!” Annie lachte nu ook.
“In ieder geval gaat het nu zo te zien goed met je. Houden zo.”
Melissa knikte. Nou, goed, dacht ze. Nog steeds had ze weleens het gevoel dat ze achtervolgd werd maar ze had zichzelf geleerd die ideeën te negeren…
“Peter heeft een enorme vliegangst. Dat is gekomen toen het vliegtuig waarmee hij, na een expeditie, uit Peru terugkwam, een paar jaar geleden bijna verongelukte. De piloot kon nog net een noodlanding maken op de Azoren. Sindsdien weigert hij te vliegen. Categorisch.” Melissa lachte. Dat gevoel kende ze wel…
“Maar ik heb me voorgenomen hem over die vliegangst heen te helpen”, zei Annie strijdvaardig, “Hoe dan ook… Misschien met een soort shocktherapie.”
“Dat lukt je vast!” zei Melissa overtuigd. Als die moeder van Peter zich iets had voorgenomen, was niemand in staat haar er van af te brengen.
Melissa raakte in die korte tijd aardig gesteld op Peters moeder en dat was omgekeerd ook zo.
Ze belde Johan een keer op en maakte een afspraak met hem, in een klein eethuisje.
“Je bent veranderd, Melissa. Het is net of je meer energie hebt gekregen of zo”, zei hij toen ze tegen over elkaar zaten. Melissa dronk genietend van de rode wijn.
“Ik voel me ook wat energieker. Die paar dagen Terschelling hebben me zeker goed gedaan.”
“Je thuiskomst was anders geen pretje, dunkt me.”
“Nee, niet echt. Maar maandag vertrek ik naar Egypte.” Ze hief haar glas. “Op Egypte!” Johan tikte zijn glas tegen het hare, en keek haar glimlachend aan.
“Jammer dat het uit is tussen ons tweeën”, zei hij toen. Melissa schudde haar hoofd.
“Dat is niet echt jammer. We pasten gewoon niet zo goed bij elkaar. We kunnen toch vrienden blijven?”
Toen Johan haar die avond naar huis had gebracht, staarde hij nog een tijdje naar het verlichte raam van haar flat.
“Toch jammer”, zei hij zacht.
Samen met Mia deed Melissa de nodige aankopen voor een reis door Afrika. Ze zochten praktische kleren en schoenen, en een paar dikke truien. Melissa wist hoe koud het in de woestijn kon zijn. Ze keek erg uit naar het weerzien met het land waar ze haar kindertijd had doorgebracht.
Ze liepen door een overdekte winkelgalerij toen Mia haar ineens een meubelwinkel induwde.
“Wat doe je nou? We hoeven toch geen meubels?” sputterde Melissa tegen.
“Sst, daar, aan de overkant. Kijk, in die kroeg.” Mia wees naar buiten.
“Verhip, dat is Eva”, ontdekte Melissa, “En kijk eens met wie ze daar aan het feesten is? Ik zie er zo twee uit het society circuit van Den Haag.”
“Allemachtig, wat een vrolijke boel. Kijk nou eens, die ene jongen kust haar op de mond…” Melissa stond ademloos naar het tafereeltje te kijken.
“Kan ik u helpen, dames?” klonk het achter hen. Ze haastten zich de winkel uit. Melissa wierp nog een blik in de kroeg.
Mia trok haar mee.
“Ze is behoorlijk dronken, schat ik zo in. Zou Peter het weten?” zei ze. Melissa haalde haar schouders op. Maar het knaagde aan haar. Ze vond het vreselijk voor Peter…


By on 11:08
Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

De vierentwintigste maart brak aan. Het beloofde een stralende dag te worden. Mia haalde haar al vroeg op met haar auto. Ze reden naar het Europoortgebied waar het schip, de “Oriëntal Queen”, op het punt stond te vertrekken. Hoewel de zon nog maar net op was, was het druk en lawaaierig in de havens. Hijskranen waren in de weer met grote containers, treinen werden volgeladen. Over het spiegelgladde water hing nog wat lage mist.
Ze reden langs de omhoog staande slagbomen via het havenmeestergebouw de kade op. De auto van Peter kwam op hetzelfde moment aangereden. Zijn moeder stapte als eerste uit. Het viel Melissa op hoe teer en breekbaar ze er eigenlijk uitzag. Ze droeg een dikke wintermantel.
Mia bleef in de auto zitten.
“Vind je het erg als ik meteen weer omkeer? Ik moet de kinderen over een uurtje naar school brengen.”
“Nee, natuurlijk niet. Bedankt voor de lift. Ik bel je zo gauw ik kan.” Even voelde ze zich angstig worden. Ze kon nog gewoon terug gaan met Mia… Nee, dat kon ze niet. Ze raapte al haar moed bij elkaar.
“Goede reis”, zei Mia, “En wees voorzichtig. Hier, ik heb nog een cadeautje voor je. Aan boord openmaken.”
Ze omhelsden elkaar en Melissa stapte uit. Ze zwaaide Mia na en liep toen naar de auto van Peter.
Peter haalde zijn koffers uit de kofferruimte. Hij droeg een lichtgekleurd pak en alweer een hoed, dit keer een beige. Hij zag er echt uit als een ontdekkingsreiziger, vond Melissa. Had Eva zeker uitgezocht. Eva zwoer bij hoeden.
Haar hart bonsde in haar keel. Een week zouden ze samen aan boord van de “Oriëntal Queen” doorbrengen. Zonder Eva…Tenminste… Wat haalde hij nu uit de kofferruimte? Een beautycase?
“Hoi, Peter. Alles klaar voor de reis?” zei ze luchtigjes.
“Hee, Melissa, goedemorgen. Ja, we hebben alles geloof ik.”
“We?” informeerde Melissa voorzichtig.
Peter zuchtte.
“Eva gaat ook mee. Op het laatste moment kon ik haar visum nog in orde gaan maken. Afijn, als ze zich maar rustig houdt, in haar positie. Ik vind het niets voor een zwangere vrouw, zo’n reis, maar ze stond er nou eenmaal op.” Hij sloot de kofferbak met een klap. Melissa voelde het bloed uit haar gezicht wegtrekken. Eva was zwanger… Een kind… Maar toch zat ze in die kroeg met die onbekende man te zoenen. En ze was dronken! Melissa keek stuurs voor zich uit. Dat zou een ellendige reis worden! Eva en Peter, hand in hand over het dek wandelend, plannetjes makend voor hun ongeboren kind…
Eva stapte uit de auto en knikte Melissa koeltjes toe. Peters moeder pakte de beide handen van Melissa. Ze keek haar vriendelijk aan.
“Goede reis kind. Het komt allemaal wel in orde, hoor”, zei ze raadselachtig. Melissa had geen tijd meer om te vragen wat ze bedoelde. Ze drukte krachtig de hand van de frêle vrouw en sjouwde met haar koffer achter Peter en Eva aan de gangway op van de “Oriëntal Queen”.
De “Oriëntal Queen” was een meer dan dertig jaar oud vrachtschip, een beetje roestig hier en daar, met twee ruimen en een beperkte passagiersaccommodatie. Over de oude naam en de haven van herkomst, “Welsh trader” uit Cardiff, was zwarte verf geschilderd, maar het was nog zichtbaar in reliëf. Het schip had nu als thuishaven New Delhi, en voer onder Indiase vlag voor een rederij genaamd Oriëntal Shipping. Sinds de luchtvaart voor bijna iedereen toegankelijk was geworden, had het schip weinig passagiers meer vervoerd.
De passagierssalon midden op het schip was ouderwets degelijk ingericht, met mooi warmbruin tropisch hout, ingelegd met messing. Je had er een prima uitzicht over het achterdek. Eva ging zitten in een van de luxueuze fauteuils. Ze was niet van plan nog één stap te verzetten voor het koffietijd was. Melissa en Peter volgden intussen een vriendelijke Arabische matroos die ze naar de hut van de kapitein wees. Hij ontving hen warm.
“Ah, our passengers! Welcome, professor Beijsterveldt. And you must be his fiancée?” De kapitein was zelf een Indiër. Hij droeg een kleine tulband en zijn snor stak met twee punten fier omhoog. Hij wiebelde met zijn hoofd. Melissa bloosde.
“Eh, not quite”, zei Peter na een bescheiden kuchje, “She is my assistent. My fiancée is in the passengerlounge.” Hij knipoogde naar Melissa die nog steeds bloosde en naar de grond keek. Ze bleven een paar minuten praten met de kapitein die hen vertelde dat de lading die ze in hadden, bestond uit melkpoeder en auto-onderdelen. Hij vertelde verder dat de voertaal aan boord Engels was, en de maaltijden met het oog op de bemanning die uit verschillende landen afkomstig was, internationaal. De kok, die uit Cuba kwam, had het er maar druk mee: vegetarisch, geen rundvlees, geen varkensvlees, hij hield met iedereen rekening. Dankzij een Nederlandse tweede stuurman, die deze reis helaas niet meevoer, hadden ze zelfs een koffiepauze om tien uur ‘s ochtends ingevoerd. Na het hartelijke welkom van de kapitein ging de matroos hen voor naar hun hutten. Ze hadden van de kapitein begrepen dat het wachten nog was op de douane en de loods. Zodra die aan boord waren en de douane klaar was met de paperassen, kon het schip vertrekken.
Melissa kreeg een hut aan de stuurboordzijde, Peter aan de bakboordzijde. Voor Eva was een hut beschikbaar naast die van de kapitein, een dek hoger. Peter ontdekte meteen, dat zijn hut en die van Melissa aan elkaar grensden door middel van een kleine badkamer.
De matroos vroeg, of dat een bezwaar was, maar Peter wuifde het probleem weg.
“My fiancée won’t mind. It is oké.” Melissa had hier niets van gehoord. Ze keek over de railing.
“Je moeder staat nog steeds op de kade. Zullen we nog even naar haar toe gaan?”
“Nee, ga maar niet meer van boord. Daar is de douane al. We vertrekken zo meteen. Vanaf het bovendek kunnen we haar nog wel spreken.” Ze beklommen de smalle trappetjes naar het bovenste dek.
Peter zwaaide naar zijn moeder. Ze zwaaide voorzichtig terug.
Even later werden de trossen losgegooid en voer de “Oriëntal Queen” langzaam de haven uit. Melissa en Peter keken nog lang naar het kleine figuurtje op de kade.
“Vaarwel…” zei Annie Beijsterveldt zacht. Ze wachtte nog een tijdje tot het schip geheel uit zich was voor ze weg reed, richting Den Haag. Ze ging echter niet naar Duynoord. Er gleden tranen over haar wangen toen ze een afslag nam naar het Medisch Centrum…

Melissa stond aan de reling en genoot van het varen. Eenmaal op volle zee begon het schip licht te slingeren. De motoren maakten een ritmisch geluid dat al gauw wende. Ze zag Peter en Eva druk in gesprek in de salon en ze besloot nog even op het dek te blijven. Ze kon het allemaal nauwelijks geloven… Nog maar een paar weken geleden was haar leven zo saai geweest, en hoewel ze best tevreden was, had haar dat toch op de een of andere manier dwars gezeten. Ze had Johan altijd een beetje benijd om zijn durf, zijn avontuurlijke leven en nu was ze zelf aan een avontuur begonnen.
Ze wreef zacht over de ring aan haar middenvinger. Die moest ze laten inklaren in Port Saïd anders kreeg ze er nog problemen mee. Hij wilde nog steeds niet van haar vinger. Ook de ring ging nu weer terug naar Egypte, net als zijzelf. Hoe wonderlijk verliep alles… Die nacht dat het zo stormde op Terschelling, ze moest er weer aan denken. En de nacht erna, toen Peter haar gezoend had. Had ze zich zo vergist? Die zoen had toch niet gelogen…
Ze schrok op uit haar overpeinzingen toen een matroos haar kwam vertellen dat er koffie in de salon werd opgediend. Terwijl ze zich met lichte tegenzin bij haar reisgenoten voegde, merkte ze niet hoe een paar donkere ogen haar volgden…
Na de koffie ging Melissa naar haar hut om haar koffer uit te pakken. Ze vond het platte doosje dat Mia haar op de kade had gegeven en opende het snel. Ze grinnikte toen ze de inhoud zag.
“Tweehonderd plastic boterhamzakjes… Gek!” Er was een briefje bij. Ze probeerde intussen het bed uit en vleide zich neer. Het briefje luidde:
“Maak ze maar allemaal op. Val niet van de kamelen en zorg dat je uit al die harems blijft. Mia.”
“Harems? Waar heeft ze het over?” Melissa sloot even haar ogen. Voor ze er erg in had, viel ze in slaap. De zeelucht en het monotone gestamp van de motoren hadden haar slaperig gemaakt.
Ze werd wakker door een heftig gebons op de deur van haar hut.
“J..ja, kom binnen…” wist ze nog half suf uit te brengen. Het was Peter.
“Zo, dus hier was je al die tijd.” Hij pakte een stoel en ging er omgekeerd op zitten. Zijn hoofd en armen steunden op de rugleuning terwijl hij haar vrolijk aankeek.
“Leuke hut, hè? De mijne is precies hetzelfde. Het blijkt dat ze Eva en jou hebben verwisseld. Ze hadden deze hutten voor het gelukkig verloofde paar bestemd. Kijk…” Hij liep naar een deur die Melissa nog niet had opgemerkt en opende die.
“Kamers en suite. Je kunt zó binnendoor via de badkamer naar mijn hut komen.”
“Ik zal mijn spullen gauw inpakken, dan kan Eva hier intrekken”, zei Melissa snel, maar Peter hield haar tegen.
“Mooi niet. We verklappen niets. Ik deel veel liever een badkamer met jou.” En toen verdween hij weer, het dek op.
Melissa gooide woedend de deur dicht. Was dat arrogant of was dat niet arrogant? Wat verbeeldde hij zich wel?
Ze pakte haar laptop uit haar koffer en smeet een bundel aantekeningen van Peter op het bureautje. Ze kon net zo goed verder gaan met haar werk. Daar was ze hier tenslotte voor…
Ze was nog maar net bezig, toen een matroos haar kwam halen voor het middagmaal. In de messroom zaten de officieren en Peter en Eva al aan tafel.
“Sorry dat ik zo laat ben”, verontschuldigde ze zich. Eva trok een smalend gezicht.
“Het is hier geen hotel, hoor, het is hier op tijd eten want er wordt hard gewerkt”, zei ze terwijl ze haar bord volschepte. Melissa kleurde. Ze ging gauw zitten en wachtte tot Peter haar bord pakte en de soep in schonk.
“Eet smakelijk”, zei hij en knipoogde naar haar.
Ze ontspande een beetje en nam haar tafelgenoten voorzichtig op terwijl ze zich voorstelde. De kapitein was een joviale heer in een wat krap zittend uniform dat sleetse plekken kende. Dan waren er nog twee machinisten die uit Turkije afkomstig waren, gekleed in overalls die naar motorolie roken, en een tweede stuurman met een sombere blik in zijn ogen in een soortgelijk uniform als de kapitein, zonder tulband. Hij heette Youssouf. De eerste stuurman stond op de brug. De kok bracht het dessert al toen Melissa haar soep net op had, maar hij gebaarde vriendelijk dat ze zich vooral niet moest haasten. Ze was niettemin blij toen de anderen van tafel gingen en ze in haar eentje kon afeten. Ze nam zich voor goed te onthouden dat het blijkbaar om twaalf uur precies etenstijd was.
De rest van de dag verliep kalm. Ze werkte nog wat aantekeningen van Peter uit in haar hut en was op tijd voor de thee en het avondeten, dat alweer bestond uit drie gangen. Om halfelf verliet ze de salon waar Peter en Eva zaten te lezen, en ging ze naar haar hut. Het werd tijd de badkamer te gebruiken…
Ze sloot de deur zorgvuldig af en douchte kort. Het was vreemd. Ze kon Peters arrogantie niet uitstaan, maar toch voelde ze zich tot hem aangetrokken. Het was moeilijk niets te laten merken, maar ze voelde er niets voor om voor schut te staan tegenover Eva en Peter, dus moest ze wel oppassen…
Melissa kon die nacht niet in slaap komen. Het schip slingerde nu behoorlijk en de kapitein had voorspeld dat dat nog erger zou worden als ze de Golf van Biskaje bereikten. Tegen drieën gaf ze het op. Ze knipte het leeslampje boven haar kooi aan en pakte haar boek. Nikita Romanova beleefde nog steeds hartstochtelijke momenten met haar Jacques. Melissa hoorde de douche lopen, Peter ging nu zeker pas naar bed. Waarom sliepen die twee toch niet samen in een hut, ze waren toch zeker verloofd. Ze luisterde naar de geluiden aan de andere kant van de deur. Het was niet moeilijk hem in de douche voor te stellen… Ze bloosde. Hij deelde liever een badkamer met haar dan met Eva, had hij gezegd. Waarom had hij dat gezegd? Was hij ook verliefd op haar, net zoals zij verliefd op hem was? Nee, onmogelijk. Hij was verloofd en werd vader. Ze probeerde zich op haar boek te concentreren.
Er klonk geroffel op de tussendeur.
“Welterusten, Melissa”, zei Peter zacht, nog net verstaanbaar.
“Welterusten”, antwoordde ze en kroop diep onder de dekens.
De volgende ochtend bereikten ze de Golf van Biskaje. Er stond een straffe bries en het schip rolde van links naar rechts. Melissa nam snel een douche voor ze naar de messroom ging om te ontbijten. Het was er rustig, alleen de kapitein zat er zijn eitje op te peuzelen.
“Ah, good morning miss. Did you sleep well?” informeerde hij.
“Very well, thank you.” Melissa nam een paar broodjes van de schaal en besmeerde die met boter. De zeelucht maakte haar hongerig.
“You are not seasick?” vroeg de kapitein, wijzend op haar volle bord. Melissa schudde haar hoofd, de kapitein wiebelde het zijne.
“Never seasick”, zei ze.
Even later kwam Peter de messroom binnen. Hij zag er aanmerkelijk minder florissant uit maar nam toch een kop koffie.
“Allemachtig, wat een weer. Die schuit ligt geen seconde stil, merk je dat?” mopperde hij. Melissa lachte. Eva verscheen helemaal niet in de messroom. Een matroos die haar ontbijt ging brengen, kwam met het volle blad terug.
“Not hungry. Just sleepy”, zei hij en haalde zijn schouders op. De kapitein ging weer naar de brug en Peter en Melissa waren alleen. Zwijgend dronk Peter zijn koffie. Melissa nam nog een sinaasappel. Toen merkte ze dat hij naar haar keek. “Waarom kijk je zo?” vroeg ze.
“Het zonlicht. Door dat patrijspoortje naast je. Het valt zo mooi in je haar. Je haar lijkt de zon zelf wel.”
Ze gniffelde verlegen. Voor ze iets had kunnen bedenken om terug te zeggen, kwam Eva dan toch de messroom binnen. Ze viel loom naast Melissa op de bank en schonk een kop koffie in. Door het slingeren morste ze op haar blouse.
“Rotschip. Waarom zijn we in godsnaam niet met het vliegtuig gegaan? Dit is toch vreselijk? Als ik geweten had dat we zo zouden slingeren…”
“Je hoefde toch niet mee?” zei Peter kortaf, “Maar je wilde zelf zo graag.”
“Kon je zomaar vrij krijgen van je werk?” vroeg Melissa om het gesprek een andere wending te geven. Ze was bang anders getuige te moeten zijn van één van hun vele ruzies.
“Wat voor werk doe je eigenlijk?”
“Ik werk in een laboratorium. En jawel, ik kon zómaar weg”, zei Eva nors.
“Want haar vader is directeur van het bedrijf”, vulde Peter aan. Ze zwegen verder. Er hing een ongemakkelijke sfeer. Melissa stond op en ging naar de salon. Ze had de vorige dag alle aantekeningen van Peter uitgewerkt, nu kon ze ongestoord genieten. Met haar boek bracht ze enkele rustige uren door. Tegen koffietijd kwam de tweede stuurman, Youssouf, de passagierssalon binnen. Hij knikte haar toe en ging naast haar zitten. Melissa voelde zich niet erg op haar gemak.
“Rough weather”, zei hij. Ze knikte. Youssouf keek intussen alsmaar spiedend om zich heen, alsof hij niet betrapt wilde worden. Betrapt op wat? Melissa wilde opstaan om de salon te verlaten, toen Youssouf zich ineens naar haar toe boog.
“Take good care, miss Van Buren. Very good care…”, fluisterde hij en verdween toen snel uit de salon. Melissa rilde toen ze hem verbaasd nakeek. Waarom moest ze voorzichtig zijn? Wat was dat voor waarschuwing? Ze begreep het niet. Ze stond op om hem om opheldering te vragen maar de kapitein, die net naar binnen wilde gaan, hield haar tegen.
“Ah, miss”, zei hij op zijn gebruikelijke enthousiaste manier, “How do you like your trip so far?”
“Eh… very nice, thank you.” Ze wist zich langs zijn forse gestalte te wurmen en ging naar de brug waar ze vermoedde dat Youssouf was. Maar daar was alleen de eerste stuurman, een Ghanees, die met een verrekijker de Spaanse kust afzocht, en een Filipijnse matroos aan het roer. Het schip slingerde nog altijd vreselijk. Melissa dronk haar koffie op de brug. De apparaten in de stuurhut fascineerden haar. Toen ze even voor het middageten naar haar hut ging om zich op te frissen, zag ze dat de deur openstond. Ze fronste haar wenkbrauwen. Zeker open geslingerd, dacht ze. Ik zal hem in het vervolg maar op slot doen. Ze waste haar handen in de badkamer en merkte niet hoe een donkere gestalte van onder het bureautje kroop en de hut uit sloop…
Tijdens het middageten probeerde ze een gesprek aan te knopen met Youssouf. Ze vroeg hem wat neutrale vragen zoals waar ze zich nu precies bevonden, maar hij ging nergens op in. De kapitein daarentegen vertelde honderduit zodat het zwijgen van Youssouf niet opviel. Somber staarde de tweede stuurman naar zijn bord. Melissa haalde haar schouders op. Rare snijboon, dacht ze.
“My friend here is muslim”, zei de kapitein die merkte dat de conversatie niet wilde vlotten tegen haar.
“He is not used to women at the table.” Youssouf keek niet op. Het zal wel, dacht Melissa.
De rest van de dag verliep rustig. Melissa bracht de tijd voornamelijk lezend door in de gerieflijke passagierssalon. Eva bleef zoveel mogelijk in bed, naar Peters zeggen met een enorme doos bonbons. Peter zat ondanks het ruige weer veelal aan dek, met een boek. Af en toe voelde Melissa zijn blik door één van de ramen op haar gericht. Ze probeerde haar blozen zoveel mogelijk te verbergen. Peter… Kon ze hem maar uit haar gedachten bannen.
Die avond stond ze alleen aan de railing. Aan de heldere hemel boven de zee straalden duizenden sterren. De “Oriëntal Queen” voer nu rustig langs de noordwestkust van Spanje. Melissa genoot van de schoonheid van het moment. Kon ze het maar delen met Peter… Opeens voelde ze een hand op haar schouder. Ze draaide zich geschrokken om. Het was Peter
“Niet schrikken, ik ben het maar. Ongelooflijk hè, die zee?” Ze knikte en rilde.
“Heb je het koud? Wacht.” Hij trok zijn windjack uit en legde het om haar schouders.
“Heb je geen roze mohair trui?” zei Melissa. Ze kon nooit het juiste woord vinden in onverwachte situaties. Ze merkte maar al te goed dat Peter zijn handen op haar schouders liet rusten. Ze keek hem aan en schudde zacht haar hoofd.
“Peter…”
“Sst… Ik weet het wel. Eva. Laten we het nu niet over haar hebben. Dit moment is van ons. Kijk, daar, de komeet van Hale-Bopp!” Aan het firnament was duidelijk de staartster te zien. Gefascineerd stonden ze er naar te kijken, hun armen om elkaar heen. Voor Melissa het wist, kuste hij haar hartstochtelijk. Melissa sloot haar ogen. Ze kon niet anders dan zich overgeven, ze wilde ook niet anders…
Het schip voer rustig verder onder de stralende sterren. Pas na een lange tijd lieten ze elkaar los. Samen stonden ze nog even zwijgend aan de railing en keken over de donkere zee. Toen verdween Peter plotseling. Melissa ging even later naar haar hut. Wat was er nu gebeurd? Peter was toch zeker niet verliefd op haar? Dat kon helemaal niet… Ze moest het een halt toe roepen voor het uit de hand liep. Ze moest hem zeggen dat hij haar met rust moest laten. Maar ze wilde hem zo graag… zo verschrikkelijk graag…

Eva staarde naar haar agenda. Het was echt zo. Dit was haar vruchtbare periode, en die duurde maar heel kort, wist ze.
Ze zat op haar bed, en keek boos voor zich uit. Het was nu echt het uur U. Ze móest Peter zien te verleiden. Het kon nooit lang meer duren voor hij er achter kwam dat ze hem bedrogen had en dan kon ze dat half miljoen wel schudden. Ze kreeg een beetje spijt van die onbezonnen weddenschap… Binnen een half jaar een adellijke titel, zo luidde de opdracht. Als het haar zou lukken binnen een half jaar een adellijke titel voor haar naam te schuiven, won ze een half miljoen gulden. Ze zag Guido en Richard, en Alex en Micha nog lachend het papier ondertekenen. Ze moest Peter in het huwelijksbootje loodsen. Ze moest zo snel mogelijk zwanger zien te worden…

Melissa lag te woelen en te draaien in haar kooi. Het was onmogelijk om nu in slaap te vallen. Zelfs Nikita Romanova kon haar niet afleiden van die éne gedachte: Peters kus. Tegen twaalven stond ze op. Ze trok een T-shirt aan en sloop naar de badkamer. Ze keek in de spiegel. Het was waar, ze zag er goed uit. Misschien iets te mager? Verdorie, ze kreeg weer sproeten.
Ze stond nog een tijdje kritisch voor de spiegel toen ze voor de tussendeur naar Peters hut ging staan.
Haar hart bonsde nu luider dan ooit in haar keel. Dit durfde ze toch zeker niet… Ze duwde zich tegen de deur aan, haar hand gleed naar de deurkruk… Ze duwde de kruk naar beneden. De deur was niet afgesloten aan Peters kant, merkte ze. Voorzichtig opende ze de deur op een kier. Het was donker in de hut. Ze hoorde de regelmatige ademhaling van Peter. Hij was in diepe slaap. Ze liep op haar tenen naar het bed. Net toen ze Peter wakker wilde kussen, werd er op de deur gebonsd. Melissa maakte dat ze de badkamer in kwam. Peter werd wakker.
“Wie is daar?” riep hij slaperig.
“Ik. Eva. Doe eens open schat…”
Melissa sloot voorzichtig de badkamerdeur af en rustte even uit. Foei, dat scheelde maar een haartje. Stel je voor dat Peter haar had gezien… Waar was ze toch mee bezig? Ze hoorde de stemmen van Peter en Eva aan de andere kant van de wand. Het was duidelijk dat Eva romantische bedoelingen had. Melissa ging naar haar hut. Ze kon wel raden hoe de nacht verder voor Eva en Peter zou verlopen. Ze veegde een traan uit haar ogen. Dit was belachelijk. Verliefd op een man die ging trouwen en vader werd. Dat kon toch nooit wat worden.

Peter keek Eva slaperig aan.
“Wat is er? Het is midden in de nacht. Ik wil slapen.”
“Maar schat, we zijn toch verloofd? Ik wil gewoon bij je zijn.” Ze streek hem over zijn gezicht maar hij weerde haar af.
“Zoals ik al eens eerder heb verteld, ik ben je schat niet. Ik trouw alleen maar met je om dat kind een beetje leuk leven te geven. Maar verwacht jij nou maar niets van mij.” Hij trok met bruuske bewegingen een shirt aan en opende de deur.
“Welterusten, Eva”, zei hij nadrukkelijk. Ze bleef nog wat om hem heen hangen maar Peter werkte haar ongenaakbaar naar buiten.
Op het dek stampvoette Eva tot ze haar voet bezeerde. Hinkend ging ze terug naar haar hut.
De volgende morgen werd Melissa wakker van het geluid van ruziënde mannen op het dek. Ze kleedde zich vlug aan om poolshoogte te gaan nemen. Het gekrakeel had ook Peter en de rest van de bemanning, voor zover ze lagen te rusten, gewekt.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ze aan Peter, die eerder bij de consternatie aanwezig was dan zij.
“Vechtpartijtje tussen Youssouf en een matroos. Geen idee waarom.”
Intussen suste de kapitein de gemoederen. Hij haalde de matroos onder de tweede stuurman vandaan en hield ze beiden vast, elk aan één arm. Hij mopperde dat ze zich gedroegen als kinderen.
De matroos schold nog wat in het Arabisch naar Youssouf, toen was het spektakel ten einde. Iedereen verliet het dek. Peter hield Melissa tegen toen ze naar haar hut wilde gaan.
“Melissa, ik moet je spreken.” Ze draaide zich van hem weg. Ze voelde dat ze zich niet goed zou kunnen houden.
“Alsjeblieft. Het gaat om iets belangrijks…”, drong hij aan. Nu keek ze naar hem. Hij zag er ontdaan uit. Ging hij nu vertellen dat hij de nacht met Eva had doorgebracht? Niet te geloven…

Melissa volgde Peter naar zijn hut. Ze verwachtte dat Eva daar nog prinsheerlijk met een ontbijt op bed zou zitten, maar de hut was verder leeg.
Peter wees naar een stoel en ging zelf op de rand van het bed zitten.
“Moet je horen. Ik heb zojuist een telegram ontvangen van de eerste stuurman. Het komt van de politie in Den Haag. Ze hebben een Egyptenaar gearresteerd in verband met de brand in het museum van professor Lutjes. Hier, lees maar.” Hij gaf haar een papiertje.
Melissa las geïnteresseerd het eerste stukje.
“En hij heeft bekend ook! Geweldig. Alleen krijgt de professor er zijn museum niet mee terug.”
“Er staat nog meer… Hij heeft ook de inbraak in jouw flat bekend…”
Melissa sloeg haar handen voor haar mond. Ze werd bleek. Dus er was een verband tussen de twee zaken…
“Gaat het een beetje?” vroeg Peter en hij gaf haar een glas water.
“Dit water komt toch niet uit de kraan, hè? Dat kun je niet drinken hoor…” zei ze met een zwak stemmetje.
“Uit de fles, geen zorgen. Het lijkt er op dat hij eerst bij jou thuis iets zocht, hij wil niet zeggen wat… En daarna in het museum. Uit pure frustratie heeft hij toen het vuur aangestoken. Dat staat hier tenminste. Toen hij niet gevonden had wat hij zocht, stichtte hij brand. Heb je enig idee wat het kan zijn dat hij zocht?” Hij keek haar nu indringend aan.
Melissa zuchtte.
“Ja. Ik zal het je maar vertellen; ik denk dat het een grafrover is die achter de Nijlcode aan zit. De Nijlcode die mijn vader heeft ontdekt. Hij is in mijn bezit…”
“Maar… maar dat is fantastisch! Het zal ons werk een stuk gemakkelijker maken straks! Waarom heb je me niets over die Nijlcode verteld?” Hij sprong enthousiast van het bed.
“Ik heb mijn vader destijds beloofd dat ik er met niemand over zou spreken tot ik zelf vond dat de tijd er rijp voor was”, zei ze gedecideerd.
“En, is de tijd er nu rijp voor, denk je?” Hij ging achter haar stoel staan en legde zijn handen op haar schouders.
Een paar tellen lang liet ze haar nek en schouders heerlijk masseren. Ze sloot haar ogen en liet haar hoofd even tegen zijn armen rusten.
“Nee”, zei ze toen, “de tijd is er nog niet rijp voor. Het spijt me. Ik wil wachten tot we in Egypte zijn.” Abrupt liet Peter haar schouders los.
“Best. Ga je mee ontbijten?” Hij verliet de hut voor Melissa haar ogen weer geopend had. Ze glimlachte. Ze was niet van plan de Nijlcode zomaar te verklappen. Hij zou er best wat moeite voor mogen doen…
In de messroom zaten wat bemanningsleden zwijgend aan hun ontbijt. Youssouf was er niet bij. De kapitein vertelde net aan Eva hoe hij, krachtig maar rechtvaardig, een eind aan de schermutseling had gemaakt. Bescheidenheid was niet één van zijn sterkste kanten. Eva luisterde ongeïnteresseerd naar hem. Ze had andere problemen… Ze moest binnen vierentwintig uur zwanger zien te worden van Peter.
“Goedemorgen, schat”, zei ze glimlachend toen hij binnenkwam. “Lekker geslapen?”
“Niet echt geweldig, verloofde. Ik werd om zes uur gewekt door de eerste stuurman met een telegram. Het schijnt dat er een verdachte is gearresteerd in verband met de museumbrand…”
“Waarom sturen ze dan een telegram naar jou? Daar heb jij toch niets mee te maken?”
“Ik heb de politie gevraagd om me op de hoogte te houden.”
Melissa nam peinzend een broodje. Blijkbaar hadden Eva en Peter de nacht toch niet samen doorgebracht.
Na het ontbijt maakte Melissa een wandelingetje over het dek. Ze zocht Youssouf, ze wilde nog steeds weten wat hij met zijn waarschuwing bedoeld had, maar ze kon hem niet vinden.
Het schip passeerde de straat van Gibraltar. De Middellandse Zee lag veelbelovend vóór hen, het was nog een beetje heiig maar de zon zou al gauw doorzetten. Het werd een rustige dag met heerlijk weer. Peter keek met een verrekijker in de richting van de Afrikaanse kust. Eva stond vlak naast hem en aaide hem over zijn rug. Ze had geen tijd te verliezen… Er moest een manier zijn om Peter in bed te krijgen.
Melissa stond een dek hoger en zag hoe Peter en Eva verliefd met de armen om elkaar heen over de zee tuurden, Peter liet zijn verloofde door de verrekijker de noordkust van Marokko zien. Ze voelde spijt…
Spijt, geen jaloezie. Voor haar was het gewoon jammer dat hij Eva als verloofde had gekozen. Pech gehad. Ze probeerde aan iets anders te denken. Waar was Youssouf toch?
Tegen de avond begonnen ook andere opvarenden die vraag te stellen, het zoemde door de messroom, de hutten en de stuurhut: Waar was Youssouf? Hij bleek niet in zijn hut te zijn, de kapitein liet de deur ervan openbreken, maar er bevond zich niemand. De ruimen werden doorzocht, alle hutten, hoeken en gaten. Youssouf was nergens te vinden.
Na het diner bespraken de passagiers de verdwijning in de hut van Peter. Eva lag op haar zij op het bed en bladerde in een tijdschrift.
“Volgens mij is hij overboord geslagen”, zei ze geeuwend. Melissa stond tegen het bureautje geleund.
“Overboord geslagen? Maar het was de hele dag rustig weer…”
“Ik zei geslágen. Ik bedoel niet gespoeld. Misschien wel door die matroos waarmee hij vanmorgen ruzie had.”
Peter fronste zijn wenkbrauwen. Hij zat schrijlings op een stoel.
“Misschien heb je gelijk. De kapitein voelt er overigens niets voor het schip een kleine honderdvijftig mijl terug te varen om te zoeken, hoorde ik net. Hij heeft wel een bericht de ether in gestuurd dat schepen naar hem moeten uitkijken. Maar ja, het is al donker. Ik ga zo nog even naar de brug om te horen of er al nieuws is. Blijven jullie nog even hier?” Hij stond op en verliet de hut. Melissa en Eva keken hem zwijgend na. De stilte werd onaangenaam, Melissa probeerde een onderwerp te vinden waar ze over konden praten. Eva, worstelend met hetzelfde probleem, was haar voor.
“Mooie ring is dat. Uit de brand gered hè? Wat vreemd dat ie niet af wil.” Melissa was enigszins verbaasd. Eva had nog nooit zomaar iets vriendelijks tegen haar gezegd.
“Ja, vreemd. Ik heb alles al geprobeerd. Zeep, olie, hand omhoog houden…” Ze zuchtte.
“Sterk vermageren? Heb je dat al overwogen?”
“Meid, ik ben al een bonenstaak… Dan blijft er niets van me over…” Eva glimlachte. Ze had bijzonder mooie, sterke tanden. Gezien de vertrouwelijke sfeer die er ineens was, wilde Melissa iets aardigs zeggen.
“Je hebt zo’n goed gebit. Allemaal echt?”
“Jazeker. Hebben we allemaal in de familie. We zorgen altijd heel erg goed voor onze gezondheid.”
“Nou maar hopen dat het niet waar is wat ze zeggen. Dat ieder kind die je krijgt, je een tand kost.”
Eva keek haar niet-begrijpend aan.
“Kind”, zei Melissa, en wees op haar buik, “Weet je nog wel?”
Eva schoot omhoog.
“O, bedoel je dat? Nou, dat zal wel meevallen, hoor.” Ze keek stuurs in het tijdschrift en zei verder niets meer. Melissa haalde haar schouders op. Van Eva kreeg ze geen hoogte.
Peter keerde terug in de hut. Er was geen nieuws over Youssouf. Melissa en Eva bleven nog even praten met Peter en gingen toen ieder naar hun hut terug.
De volgende dagen verliepen rustig. Melissa lag ‘s nachts te piekeren over het lot van de tweede stuurman. Soms hoorde ze Peter in de badkamer en dan klopte het hart in haar keel. Als hij toch eens naar haar toe zou komen… Overdag probeerde ze Peter en Eva te ontwijken. Eva had haar versierpogingen opgegeven, haar vruchtbare periode die maand was toch al voorbij. Ze liet Peter met rust en probeerde een bruin tintje te krijgen, zonnebadend op het bovenste dek. Peter voelde zich opgelucht nu Eva hem niet meer zo achterna zat. Hij zocht liever het gezelschap van Melissa, maar ze stelde blijkbaar geen prijs op het zijne.
Melissa bracht haar tijd nu meestal lezend door in de passagierssalon. Ze begon zich wat te vervelen aan boord en ze wenste dat de haven van Port Saïd in zicht zou komen.
De verdwijning van Youssouf bleef een raadsel.

Op de laatste avond aan boord van de “Oriëntal Queen” was het schitterend weer. Een zoel briesje, een gladde zee, het roze, oranje en rood van een prachtige zonsondergang. Peter, Eva, Melissa en de kapitein zaten op het achterdek en klonken op het naderende afscheid. De kapitein vertelde dat de autoriteiten in Egypte de matroos wilden ondervragen over de verdwijning van Youssouf. De matroos, Bechir geheten, had zijn schouders opgehaald. Hij zei dat hij van niets wist.
“Ja, natuurlijk zegt hij dat”, mompelde Eva schamper. Peter en Melissa zwegen. Ze keken elkaar aan en glimlachten op hetzelfde moment. De laatste zonnestralen raakten de zee. Golven klotsen ritmisch tegen het schip, de motor stampte vertrouwd. Ze keken elkaar nog steeds in de ogen toen de kapitein suggereerde dat ze naar binnen zouden gaan omdat het te fris werd. Eva bleef nog even dralen op het dek voor ze het gezelschap naar de hut van de kapitein zou volgen. Die blik tussen Peter en Melissa… Dat ze dat niet eerder gemerkt had… Die twee waren verliefd! Dat kwam haar helemaal niet goed uit. Geen wonder dat hij haar avances zo koel bejegende. Verliefd! Maar hij was nog steeds met háár verloofd. Dat moest ze hem toch maar eens goed inpeperen. Kordaat rechte ze haar rug en deed een ferme pas vooruit, toen werd haar aandacht ineens getrokken naar een geluid op het onderste dek. Ze keek voorzichtig over de railing. Een duistere gedaante sloop in de richting van de hut van Melissa…
Zonder zich te bedenken daalde Eva de smalle trap naar het benedendek af. Ze drukte zich zo dicht mogelijk tegen de wand en bewoog langzaam naar de hut. Daar stond de duistere gedaante aan de deur te morrelen. Eva pakte een verfkwast uit een vergeten verfblik en stak die met de steel naar voren. Ze prikte er mee in de rug van de inbreker en zei met bevende stem:
“Hands up or I’ll shoot you.” Hij deed zijn handen meteen omhoog. Het was Bechir, de matroos.
“Peter!” gilde ze, de man intussen met de verfkwast onder bedwang houdend, “Peter, help!”
Binnen een paar seconden stonden Peter en de kapitein en nog een aantal bemanningsleden op het benedendek.
“Hij wilde inbreken in de hut van Melissa”, stamelde Eva, die de verfkwast liet vallen en nu pas besefte wat ze gedaan had.
“Goed zo, meid”, zei Peter en keek haar bewonderend aan. De kapitein nam Bechir bij de kraag en verwijderde hem van het dek. Melissa zag hoe Peter met een arm om de nu niet meer zo dappere Eva naar zijn hut liep… Het was duidelijk dat hij haar die nacht niet alleen zou laten…
De kapitein kwam snel terug en vertelde dat hij Bechir had opgesloten. In Egypte zou hij worden voorgeleid op beschuldiging van een poging tot inbraak. De kapitein bood zijn verontschuldigingen aan. Melissa knikte en opende de deur van haar hut. Ze rilde even. Als Eva de inbraak niet had opgemerkt, had die man nu in haar hut gezeten…
Terwijl ze de badkamer in ging, hoorde ze de stemmen van Peter en Eva. Ze zuchtte. Morgen waren ze in Port Saïd…

“Nikita bleef nog lang op het perron staan, ook toen de trein Jacques al lang uit het zicht had gevoerd. Ze wist het, ze zou hem nooit meer zien… Einde” las Melissa. Ze zuchtte en legde het boek neer. Met Nikita verliep het al net als met haar: geen geluk in de liefde. Ze keek op haar horloge, het was drie uur in de nacht. De “Oriëntal Queen” voer gestaag door. Melissa was nog klaarwakker. Ze luisterde gespannen of ze iets in de hut van Peter kon horen, maar alles was stil. Was Mia maar in de buurt om eens gezellig mee te kletsen, of professor Lutjes, of zelfs Johan. Misschien was er iemand op de brug die om en praatje verlegen zat. Ze stond op en kleedde zich aan.
Buiten was het fris, een zilte wind waaide door haar haren. Hier en daar waren lichtjes op zee te zien. De donkere contouren van de Noordafrikaanse kust staken amper af tegen de zwarte lucht. Melissa beklom de trap naar de brug. In de stuurhut was het rustig. De kapitein stond voor het raam, een matroos bestuurde het schip. Ze ging op een kruk bij de radar zitten. De kapitein knikte naar haar.
“Only a few hours more”, zei hij en wees op een kaart. Het schoot nu aardig op. Iemand gaf haar een kop koffie. Ze roerde in de hete vloeistof. Ineens voelde ze een hand om de hare. Het was Peter.
“Kon je ook niet slapen?” vroeg hij. In het halfdonker kon ze zijn gezicht niet onderscheiden. Hij legde zijn arm om haar middel en stuurde haar zachtjes naar buiten. Zo stonden ze een hele tijd samen aan de reling, om beurten turend door een verrekijker naar de kust die langzaam naderde. Ze zwegen terwijl de zon in het oosten op kwam en warme stralen over de trage golven deed schijnen. Het was nog maar een paar mijl varen naar Port Saïd. Een klein loodsbootje kwam langszij en de loods klom aan boord. Melissa draaide zich naar Peter. Zijn blauwe ogen keken haar indringend aan. Met tegenzin maakte ze zich van hem los en haastig verliet ze de brug. Toen ze omkeek, zag ze hoe Peter met gebogen hoofd aan de reling stond. Ze veegde haar tranen weg en stapte de messroom binnen.
Na het ontbijt ging Melissa naar haar hut om te pakken. Ze wilde net de sleutel in de deur steken, toen een gedaante uit het niets tevoorschijn sprong.
“Youssouf!” Melissa gaf een kreet van verbazing en ongeloof. Youssouf gebaarde dat ze stil moest zijn en keek spiedend om zich heen. Hij duwde haar de hut binnen, volgde haar en deed de deur snel dicht. Melissa staarde hem nog steeds aan. Ze ging zitten en wachtte op wat er ging komen. Youssouf begon in het Engels te vertellen.
“Is alles oké?” was het eerste dat hij zei. Melissa knikte.
“Ik moet u waarschuwen, voor de kapitein me ontdekt. Hij zal me laten arresteren omdat ik zomaar ben verdwenen.”
“Waar heb je al die tijd gezeten?” vroeg Melissa.
“In een container in het ruim. Bechir wilde mij beletten u te waarschuwen… Hij is gevaarlijk… ” Op dat moment werd er aan de deur geklopt. Youssouf stond snel op en verdween in de badkamer. De kapitein kwam de hut binnen.
“Wilt u de aankomst in Port Saïd niet meemaken?” vroeg hij vriendelijk.
“Ja, natuurlijk.” Melissa ging met hem mee naar de brug. Ze keek nog even om voor ze de hut uitging. Er kwam geen geluid uit de badkamer.
Peter stond nog steeds aan de reling. Melissa ging naast hem staan en vertelde fluisterend hoe Youssouf was opgedoken. Peter fronste zijn wenkbrauwen.
“Gelukkig zit die Bechir opgesloten. Ik zal blij zijn als we aan land kunnen. Kom, dan gaan we Youssouf eens aan de tand voelen.”
Intussen voer de “Oriëntal Queen” langzaam de haven van Port Saïd binnen. Aan de kades stonden grote hijskranen, schepen werden gelost en geladen. Egypte. Even rilde Melissa. Het was zo lang geleden dat ze in dit land van haar jeugd was geweest… Herinneringen kwamen boven, aan kleuren, geuren en geluiden die haar zintuigen zo lang hadden moeten missen.
Veel tijd om te mijmeren had ze niet. Peter duwde de deur van haar hut open.
“Youssouf?!” Hij bonkte op de badkamerdeur. “Op slot. Wacht hier, ik loop om naar mijn hut.” Peter verdween, op dat moment opende Youssouf de badkamerdeur, rende Melissa voorbij naar buiten en sprong in één beweging over boord. Melissa hoorde de plons in het water. Toen ze aan dek kwam, kon ze hem nog net naar de kade zien zwemmen. Aan boord was de duik van Youssouf niet onopgemerkt gebleven. Bemanningsleden stonden druk gebarend en schreeuwend naar de tweede stuurman te wijzen. Youssouf had intussen de kade bereikt en hees zich uit het water. Hij rende vervolgens uit zicht.
Peter stond hijgend van het heen en weer rennen naast Melissa.
“De vogel is gevlogen…” zuchtte hij.


By on 11:05
Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Eva, Peter en Melissa namen een uurtje later afscheid van de kapitein en stapten in de taxi die hen na een lange rit naar het Luxor Hotel in Cairo bracht. Daar aangekomen werden ze verwelkomd door een vertegenwoordiger van het Egyptisch museum, Mr Abdoellah geheten, in een westers pak maar mét een rode fez op zijn hoofd. Ze gebruikten gezamenlijk een uitgebreide lunch. Mr Abdoellah bleek Adriaan van Buren nog gekend te hebben en hij was blij de dochter van deze grote archeoloog nu eens te ontmoeten.
Eva werd vervolgens door Peter naar haar kamer gebracht om te rusten. Melissa bleef in de lounge achter en slingerde wat besluiteloos met haar armen. Peter kwam niet terug, blijkbaar. Mr Abdoellah verzekerde haar dat ze tussen nu en het diner alle tijd hadden om de stad in te gaan, hij wilde graag haar gids zijn. Melissa glimlachte en stemde toe. Ze lieten een boodschap achter voor Peter en namen een taxi. Gedurende de hele middag genoot Melissa van allerlei stadsgezichten in de oude binnenstad van Cairo. Ezeltjes beladen met enorme hoeveelheden vracht zorgden voor hectische taferelen in de drukke nauwe straatjes, er klonk geschreeuw en geclaxonneer, de muezzin riep boven dit alles op voor het gebed. Melissa voelde zich thuis in deze Afrikaanse heksenketel. Ze draaide het raampje van de taxi open en stopte een klein meisje dat bloemen verkocht, wat geld in de hand. Ze rook aan de roos die ze gekocht had. Egypte was niet erg veranderd.
Ze slenterden door de soeks, waar van alles te koop was. Mr Abdoellah was een vriendelijke man, die Melissa honderduit vertelde over de uitgestalde waren. Ze kochten wat geroosterde nootjes en knabbelden die al wandelend op. Het was ergens in een soek in oud-Cairo dat ze werden opgehouden door een kleine volksoploop; een ezel was tegen een taxi aan gebotst en de eigenaar van het dier viel de taxichauffeur aan. Omstanders riepen aansporingen naar de twee vechtersbazen. Melissa en Mr Abdoellah keken een tijdje toe. Ze merkten niet hoe een man in een witte kaftan, met een sjaal voor zijn gezicht, hen van achteren naderde. Zijn hand omklemde een kromme dolk…

Peter keek vanaf zijn balkon van het Luxor Hotel, waar hij zich op een rieten terrasstoel had genesteld, uit over de drukke straten van Cairo, met op de achtergrond de piramiden van Giseh bleekblauw in de stoffige lucht. Hij dronk zijn glas tonic leeg en zette zijn hoed wat verder op zijn voorhoofd, de zon was fel op dit uur van de dag. Eva hield een middagdutje. Het beviel haar wel hier in het comfortabele hotel. Het kwam hem goed uit, nu had hij even tijd voor zichzelf. Hij nam wat documenten door en maakte aantekeningen. Tegen drieën werd er bescheiden aan zijn deur geklopt. Het was een piccolo, die de was kwam brengen.
“Dat is snel”, mompelde Peter. Hij nam het stapeltje in ontvangst en borg de kleren weg in zijn koffer, het had niet veel zin iets op te hangen want de volgende dag zouden ze alweer uit Cairo vertrekken. Er zaten ook wat kledingstukken van Melissa tussen de zijne. Hij besloot ze meteen maar even te brengen. De kamer van Melissa grensde aan de zijne. Hij klopte op haar deur maar er klonk geen antwoord. Een kamermeisje nam de kleren van hem over en vertelde dat Melissa de stad in gegaan was. Ze opende de deur en bracht de kleren de kamer binnen.
Peter vond het maar niets. Waarom had ze hem niet even gezegd dat ze de stad in ging?
Hij liep de trap af naar de imposante hal waar zich de receptie bevond.
“Professor Beijsterveldt! A message for you.” De receptioniste overhandigde hem het korte briefje dat Melissa voor hem had achtergelaten. Peter zuchtte. Op dat moment kwam Melissa het hotel binnen, gevolgd door Mr Abdoellah. Ze zag er verhit uit.
“Peter! Ik ben beroofd…” Ze viel neer op een van de luxueuze fauteuils in de hal. Mr Abdoellah deed het woord terwijl Peter wat te drinken bestelde.
“Dus een man heeft je schoudertas gestolen? Wat zat er in?” vroeg Peter toen hij het leeggedronken glas van Melissa aannam. Ze haalde diep adem en somde op:
“Een kam, wat tubetjes, een zonnebril, wat schelpen en de laatste Nikita Romanova, die ik trouwens al uit had, een portemonnee met wat kleingeld, een wegwerpbalpen en het adres van dit hotel. Ik was niet van plan lang weg te blijven. Mijn paspoort was ik vergeten, maar goed ook.”
“Je bent dus niets van waarde kwijt?” vroeg hij scherp.
Ze keek hem even aan.
“Nee, niets bijzonders. Ook de Nijlcode niet, als je daar soms bang voor was.” Peter verbleekte.
“Daar had ik nog niet eens aan gedacht, eerlijk niet. Maar we zijn nú in Egypte, dus als je me iets over die code wil vertellen, ik zit in het restaurant.” En hij liep weg, haar met Mr Abdoellah alleen latend. Ze keek hem woedend na.

De politie kon hen natuurlijk weinig helpen, er waren zoveel mannen in witte gewaden in Cairo, en net als in elke grote stad werden er dagelijks tientallen tasjes geroofd. Peter bedankte de agent voor zijn tijd en verliet het politiebureau. De zon scheen nu, zo tegen de avond, niet meer zo fel, maar de drukte in de straten werd er niet minder om. Hij wandelde op zijn gemak terug naar het hotel. Zo dadelijk volgde het diner, en dan was het morgen eindelijk zover: de reis naar het zuiden, naar de oase Charga. Van daaruit zouden ze nog een eind door de woestijn moeten rijden voor ze bij de opgravingswerkzaamheden zouden aankomen. Hij had er zin in.
Hij wandelde langs verschillende kleine winkeltjes en kraampjes in een van de vele soeks. Wat was Egypte toch een schitterend land, met zowel moderne als middeleeuwse beelden, de geur van ezelmest vermengd met de zoete parfums van gesluierde vrouwen, tieners op scooters en geiten en kamelen, en veel lawaai… Bij een kraampje met zilveren sieraden bleef hij even staan. Wat zou dat kettinkje Melissa goed staan… Melissa. De laatste tijd was ze niet meer uit zijn gedachten geweest. Ze was zo kwaad geworden, dacht ze nou echt dat het hem alleen maar om die Nijlcode te doen was? Dat hij niet oprecht bezorgd om haar was? Was Eva er maar niet, dat zou alles een stuk eenvoudiger maken.
Bij een verkoper van lederwaren kocht hij een nieuwe tas voor Melissa en ging toen terug naar het hotel. Eva hing aan de bar in de lounge en had hem zo te zien al aardig om. Peter was geschokt. Hij was er van overtuigd dat zwangere vrouwen tegenwoordig wel zo verstandig waren geen alcohol te gebruiken. Hij werd vuurrood en wilde haar eens goed de les lezen maar de receptioniste trok zijn aandacht.
“Professor Beijsterveldt, telephone sir.” Hij nam de hoorn aan. Het was de commissaris van politie in Port Saïd.
Het gesprek duurde een minuut of tien. Peter hing op en zuchtte. Wat moest hij hier nou mee aan? De expeditie af gelasten? Maar de Egyptische regering had verklaard dat ze gegarandeerd veilig zouden zijn. In ieder geval moest hij Eva en Melissa op de hoogte brengen.
Melissa zat op haar kamer en schreef een brief naar de moeder van Peter.
“… Over het weer hebben in ieder geval niet te klagen, de zon doet precies wat de vakantiefolders van dit soort landen beloven. Peter is helemaal vol van de expeditie en heeft mij zover gekregen dat ik mijn doctoraal wil gaan doen. Tenslotte was het destijds niet de bedoeling dat ik secretaresse ging worden, maar archeologe. De ziekte van mijn moeder en later ook mijn tante hebben me dat helaas belet, maar nu heb ik er weer de mogelijkheden voor. Zodra ik terug ben in Nederland, ga ik eens kijken waar ik me in kan schrijven. Met Peter gaat het fantastisch, dat zul je begrijpen. Dit land heeft hem net zo in de ban als mijn vader vroeger. Het is heerlijk als hij vertelt over de opgravingen die hij hier heeft meegemaakt, voordat hij hoogleraar werd. De graftombe ten zuidwesten van Charga waar we morgen naar afreizen, is één van de laatste plaatsen waar mijn vader geweest is voor hij stierf. Op de een of andere manier zie ik deze reis als een soort eerbetoon aan hem. Ik hoop dat ik mijn steentje kan bijdragen aan het onderzoek van het schrift en…” Hier moest ze stoppen want Peter klopte op haar deur.
“Doe eens open, ik heb nieuws over Bechir.”
“Kom binnen, de deur is open.” Peter stapte de kamer in.
“Dat moet je meteen maar niet meer doen, die deur open laten bedoel ik. Vanaf nu moeten we extra voorzichtig zijn. Bechir heeft gepraat…” Melissa luisterde aandachtig.
“Dus het is een hele organisatie? De zonen van de woestijn geheten?” herhaalde ze Peters woorden.
“Zo is dat. Een organisatie die wil beletten dat buitenlanders de graven van de oude Egyptenaren openen om er zelf beter van te worden…”
“Maar dat wil de Egyptische regering toch ook niet? De maatregelen tegen het leegroven van de graven zijn uiterst streng…”
“Niet streng genoeg, vinden de Zonen. Ze willen dat alle graven met rust gelaten worden.”
“Maar wat zocht Bechir dan? En die andere inbreker in Den Haag? En het museum?”
“Rustig maar. Ook dat heeft Bechir opgebiecht. De Zonen van de Woestijn weten dat je vader de Nijlcode heeft ontcijferd en ze willen die nu in handen krijgen nog voor de Egyptische autoriteiten. Je bent in gevaar, derhalve.”
“Derhalve… “, zei Melissa peinzend.
“Als je mij nu de code geeft, en ik geef het aan…”
“Niets daarvan. De code moet bij mij blijven. Op die manier is het het veiligst.” Melissa stond op en haar ogen stonden vol vuur.
“Niemand, niemand krijgt de code voor ik zeker weet dat het goed is…”
Peter draaide zich om en liep zonder een woord te zeggen de kamer uit, na een pakje op haar bed te hebben gemikt. Hij was woedend.
Hij loodste Eva uit de lounge naar haar kamer en schonk een glas water voor haar in.
“Wordt maar gauw nuchter, het diner begint over een uur.” Eva ging op het bed liggen en viel meteen in slaap.
“Ook best”, zei Peter en verliet haar kamer.
Intussen zat Melissa nog na te trillen op de rand van haar stoel. Ze opende het pakje, het was een schoudertas. Wat had ze nu toch gedaan, Peter was echt kwaad op haar geworden, en terecht. Ze moest hem de code geven, nu, meteen. Of tenminste na het diner.
Peter zat al zwijgend aan de lange tafel toen Mr Abdoellah en nog een paar mensen van het Egyptisch museum plaats namen. Ook de Nederlandse ambassadeur was er, en de Finse, want er ging ook een Finse archeoloog mee. Mr Abdoellah bracht het gezelschap op de hoogte van de werkzaamheden bij de tombe. Peter luisterde maar half, hij vroeg zich af waar Melissa bleef. Eva had hij al afgeschreven, die lag in een diepe slaap in haar kamer. Net toen hij wilde opstaan om poolshoogte te gaan nemen, kwam Melissa de brede trap af naar de lounge. Er viel een stilte aan tafel. Iedereen keek bewonderend naar haar, ze was een plaatje in haar korte witte jurkje, met haar blonde haren los, haar nieuwe tas over haar schouders. Peter stond galant op en schoof haar stoel aan toen ze ging zitten. Ze liet zich glimlachend voorstellen en schudde de handen van de andere aanwezigen. Ze leek zich helemaal op haar gemak te voelen, maar niets was minder waar. Ze nam gauw een paar slokken water. Gelukkig eiste Mr Abdoellah alle aandacht op en kon ze Peter fluisterend bedanken voor de nieuwe tas. Hij mompelde iets onverstaanbaars. Hij was duidelijk nog steeds kwaad op haar. Ze beet op haar lip. De Finse archeoloog begon een praatje met haar, het was een aardige man, een jaar of dertig, mager, witblond en bijna twee meter lang. Melissa ging uitvoerig op zijn vragen in, en hield intussen Peter in de gaten. Eva kwam blijkbaar niet uit haar kamer. Misschien was hij daarom wel zo nors.
De Fin, Jouni geheten, vroeg wat haar functie als lid van de expeditie was. Ze antwoordde dat ze als assistente van professor Beijsterveldt werkte en knikte even naar Peter, maar die deed net of hij niets gehoord had en at onverschillig zijn soep. Het diner verliep verder rustig, Mr Abdoellah vertelde een paar vrolijke anekdotes over opgravingen uit het verleden.
Tegen tienen stond Peter op, knikte beleefd naar de andere aanwezigen en verontschuldigde zichzelf. Hij wenste nu te gaan slapen. Het klonk zó ongelooflijk bot, na alle gezelligheid van die avond, dat er een verbaasde stilte viel. Toen haastte Mr Abdoellah zich te zeggen dat ook hij er vandoor moest. De anderen volgden, één voor één stapten ze op, namen haastig afscheid van Melissa en verlieten de lounge. Alleen de Finse archeoloog bleef zitten, en Melissa, die versteend naar haar dessertbordje staarde. Ze voelde zich vreselijk. Peter deed zo ongemanierd, zo akelig… Ze wilde dat ze hem de Nijlcode had gegeven, dit was verschrikkelijk…
Jouni bestelde intussen een cognac en vroeg wat zij wilde drinken.
“Wine. Red wine, please”, hoorde ze zichzelf zeggen. Het was niets voor haar om met een vreemde man aan te pappen. Het was niets voor haar… Maar om drie uur ‘s nachts zaten ze nog aan tafel, ze praatten over hun werk en studie. Jouni was best een aardige man. Hij was weduwnaar, vertelde hij, en nog niet helemaal over de dood van zijn vrouw heen. Melissa knikte, ze begreep hem, en vroeg of hij ook kinderen had. Intussen speelde een violist nog een laatste deuntje in de verder uitgestorven lounge.
“Ik geloof dat we moeten vertrekken”, zei Melissa toen de violist stopte en de lichten nog dimden.
“Have a drink in my room”, opperde de Fin. Melissa aarzelde. Morgen om tien uur zou de expeditie vertrekken. Het beloofde een hete, lange tocht te worden. Ze had haar rust dus wel nodig. Maar aan de andere kant verlangde ze zo langzamerhand weleens naar een normaal, vriendelijk gesprek, een beetje onbeladen conversatie. En Jouni zo te zien ook…
“O.K.”, antwoordde ze en hij ging haar voor naar zijn kamer op de vierde verdieping. Toen ze uit de lift stapten, ontdekte Melissa dat ze de schoudertas die ze van Peter had gekregen, vergeten was, maar het was nu waarschijnlijk te laat om hem uit de lounge te halen. Ze zuchtte. Morgenochtend zou ze hem wel bij de receptie kunnen ophalen.
De kamer van Jouni was ongeveer hetzelfde ingericht als die van Melissa, met als enige verschil dat het een fantastisch uitzicht op de piramiden van Giseh had. Op het balkon kon je de halve stad overzien. Melissa genoot van de nachtelijke stilte, Cairo leek eindelijk een beetje tot rust gekomen te zijn. Jouni schonk haar een glas champagne in en ze klonken op de expeditie.
Peter was de volgende morgen al vroeg op. Hij zette zijn gepakte bagage klaar en klopte aan op de kamerdeur van Eva. Ze gaf slaperig te kennen dat hij kon binnenkomen.
“Eva, ik heb nog eens goed nagedacht over de reis naar het zuiden en ik ben van mening dat je in jouw conditie beter hier kunt blijven. De wegen zijn hobbelig en stoffig, de temperaturen zijn veel te hoog en…”
“Al goed, ik blijf wel hier”, klonk het gesmoord vanonder de dekens.
“Goed, dat is dan afgesproken”, zei Peter opgelucht. Hij aarzelde even en vroeg zich af of hij haar nu een afscheidszoen moest geven maar ze sliep alweer verder. Vervolgens ging hij naar de kamer van Melissa maar er werd niet opengedaan. Hij bleef nog een tijdje kloppen, voordat hij Melissa ineens uit een andere kamer zag sluipen. Ze schrok toen ze hem zag. Het was de kamer van de Fin. Ze had de nacht doorgebracht met de Finse archeoloog, die magere deegsliert…
Melissa voelde het bloed naar haar wangen stromen. Heb ik dat, dacht ze. Na het tweede glas champagne was ze als een blok in slaap gevallen en Jouni had niets beters weten te doen dan haar op het bed te leggen en zelf in twee stoelen de nacht door te brengen. Toen ze wakker werd, was hij al opgestaan om zijn dagelijkse fitheidsoefeningen te doen. Hij had haar vrolijk aangekeken, de situatie uitgelegd, en was toen verder gegaan met zijn gewichten. Melissa wilde ongemerkt haar kamer ingaan, maar dat was dus een misrekening. Peter keek haar zuur aan.
“Goedemorgen”, zei ze timide. Hij knikte slechts en wees naar de deur van de Fin.
“Lekker geslapen?” vroeg hij schamper. Melissa zei niets. Wat ging het hem eigenlijk aan!
“Met die wipneus?” vervolgde Peter, die zich steeds drukker maakte.
“Wipneus?” zei Melissa verontwaardigd, “Wat nou wipneus? Nou ja, nu je het zegt, hij heeft inderdaad wel een beetje een…” Opeens moest ze lachen.
Peter keek nog steeds woedend. Hij liep snel naar zijn kamer en smeet de deur dicht. Nou deed ze het wéér! Net als toen op het strand. Ze lachte hem gewoon uit!
Mr Abdoellah was al in het hotel aanwezig en toen ze gingen ontbijten, voegde hij zich bij hen. Hij informeerde of ze goed geslapen hadden.
“Splendid!” zei Melissa enthousiast en knipoogde naar Jouni, die ook aan hun tafel zat. Het ontging Peter niet. Jouni grijnsde terug. Intussen verzekerde Mr Abdoellah dat zijn vrouw zich over Eva zou ontfermen nu die niet verder mee ging naar het zuiden. Hij vond het een wijs besluit dat ze in Cairo bleef. Melissa zuchtte. Eva bleef dus hier. Maar ja, wat maakte het eigenlijk uit? Hij was toch nog met haar verloofd…
Na het ontbijt had ze nog even tijd de brief naar Peters moeder af te maken.
“…Dat gaf dus allemaal veel commotie maar de politie heeft ons verzekerd dat we van die Zonen van de Woestijn verder geen last meer zullen hebben. Toch vraag ik me af of die tasjesdief gisteren niet ook één van hen was… En dan zijn er misschien nog wel meer. In ieder geval begint het avontuur nu pas goed. Mr Abdoellah heeft al uitgebreid verteld hoe de werkzaamheden er voor staan. Het betreft een graftombe uit de laatste periode van de 17e dynastie, zo’n 3500 jaar oud dus. Volgens de laatste berichten is het nog maar een kwestie van dagen voor ze de ingang van de tombe gevonden hebben, ze graven bijna dag en nacht door maar het werk wordt ernstig belemmerd door de chamsin, de hete woestijnwind die er al een paar dagen waait. Ik ben erg benieuwd. We staan op het punt van vertrekken…”
Ze schreef ook nog gauw een paar kaartjes naar Mia, Johan en professor Lutjes en gaf ze af bij de receptie.
“O, and my purse…” Ze herinnerde zich ineens haar schoudertas. De receptioniste haalde hem glimlachend van onder haar balie vandaan. Melissa bedankte haar en controleerde de inhoud in de lift. Alles zat er nog in. Maar er zat ook iets in, dat ze niet herkende. Een envelop. Een brief. Ze opende de envelop snel. Het was maar een kort briefje:
“Do not go to Charga…”

De muezzin riep op tot het gebed. Zijn galmende stem klonk hoog boven het rumoerige Cairo. Het leek alsof niemand zich er aan stoorde en iedereen zijn weg gewoon vervolgde. Ezeldrijvers joegen hun dieren door de nauwe straatjes, waterverkopers deden goede zaken op de pleintjes en toeristen verzamelden zich buiten het hotel bij de dragoman, de gids, om op excursies te gaan naar de piramiden van Giseh, de Toelun- en Hassan-moskee, de citadel, de musea, kaliefgraven of naar de woestijn. Het was tien uur in de ochtend. Melissa klom in één van de grote terreinwagens die hen naar de oase Charga zouden brengen. Ze huiverde ondanks de oplopende temperatuur. Het briefje brandde in haar hand. Ze had het nog niet aan Peter laten lezen. Ze wist dat het belangrijk was, dat de politie van het briefje op de hoogte moest worden gebracht, en toch zweeg ze. Ze ging achterin de auto zitten en zag hoe Peter zijn bagage oplaadde op de wagen vóór haar. Hij reed dus niet met haar mee. Jouni daarentegen opende het portier en plofte naast haar neer. Hij zag er goedgemutst en fris uit. Melissa voelde zich nog wat katterig na de vorige nacht, maar ze lachte vriendelijk tegen de Fin en samen bekeken ze de routekaart. Het beloofde een lange, onplezierige rit te worden. Het tweede deel van de tocht, vanaf de oase Charga, voerde over slechte zandwegen en dwars door de woestijn. Als ze de volgende avond laat bij de opgravingen zouden aankomen, waren ze vast en zeker geradbraakt. Toch stapte ook Mr Abdoellah, die zelf zei dat hij een uitstekend chauffeur was, opgewekt de auto in. Hij gaf Melissa een sinaasappel en een knipoog en toen de wagen voor hen vertrok, startte hij de motor. Met veel getoeter, optrekken en abrupt remmen reden ze door de straten van Cairo. Melissa begon zich behoorlijk beroerd te voelen, maar eenmaal op de grote weg richting Sakkara werd de rijstijl van Mr Abdoellah wat rustiger en met het raampje op een kier was het prima uit te houden.
Peter, in de voorste wagen, beet op zijn lip. In het achteruitkijkspiegeltje kon hij precies zien hoe Melissa lachend naast die deegsliert zat. Waarom was hij nou ook niet bij haar in de auto gestapt? In plaats van bij de regeringsvertegenwoordiger waar hij nu naast zat en die in alle talen zweeg.
In de verte doemde na een tijdje de trappenpiramide van koning Djoser op. Er was besloten dat ze de eerste stop in Memphis zouden maken om te lunchen. Mr Abdoellah hield galant het portier voor Melissa open en vertelde haar de geschiedenis van de dodenstad Sakkara. Melissa, die in haar jeugd vaak hier geweest was, luisterde maar half naar zijn relaas. Haar ogen zochten Peter, die samen met de regeringsvertegenwoordiger een soort picknick opzette. Hij keek haar slechts even aan, zijn gezicht vertrok geen spier.
Ze brachten een dik uur door tussen de ruïnes en oude graven. Melissa zat op een grote rots, de Finse archeoloog had niet ver van haar af plaatsgenomen op een soortgelijke steen. De rest van het gezelschap nuttigde de maaltijd op het grote kleed dat Peter had uitgespreid. Het was nu behoorlijk heet aan het worden, de zon stond hoog aan de wolkenloze hemel. Mr Abdoellah trok zijn stropdas los en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Peter trok zijn lichte jasje uit. Hij keek in de zon op naar Melissa op de rots. Ze zwaaide naar hem. Hij onderdrukte de neiging om terug te zwaaien.
De rest van de middag reden ze langs de Nijl. Kleine zeilboten voeren langzaam de rivier af, hier en daar passeerden ze dorpjes waar, afgezien van wat opgeschrikte kippen, een diepe rust heerste.
De Fin die nog steeds naast Melissa zat, toonde haar albumpjes met foto’s van zijn overleden vrouw. Het was een mooie vrouw geweest, met kastanjekleurige krullen en grote blauwe ogen. Melissa vertelde op haar beurt over haar jeugd in Egypte. Het was jammer dat ze nooit goed Arabisch had geleerd, dat was haar nu goed van pas gekomen, zei hij. Ze knikte. In de wagen voor hen draaide Peter zich net om. Hun blikken kruisten elkaar. Gelukkig, hij glimlachte.
Aan het eind van de middag bereikten ze de afslag bij Assioet naar Charga. Ze stopten bij een kleine herberg waar enkele ezeldrijvers het interieur bevolkten. Ze keken nauwelijks verbaasd naar het westerse gezelschap. De opgravingen in de woestijn trokken al wekenlang vreemde snoeshanen naar deze omgeving. Bovendien reden er bijna dagelijks touringcars met toeristen voorbij. Melissa dronk met smaak een paar glazen koud water voor ze hongerig aan de maaltijd begon. De ezeldrijvers lachten.
Hierna vertrokken de twee terreinwagens richting Charga. De tocht ging nu door de woestijn en het was maar goed dat het nu niet meer zo heet was. Na een tijdje toen de duisternis inviel, kwamen ze aan in de oase. Hier zouden ze overnachten om de volgende dag naar de opgravingen af te reizen.
Mr. Abdoellah ging het vermoeide gezelschap voor naar een gebouw dat bekend stond als het archeologenhuis. Hier verbleven oudheidkundigen die in de woestijn onderzoek deden. Momenteel waren er enkele Egyptische oudheidkundigen, een paar Hongaren en een Deense archeologe. Zij waren ook speciaal gekomen om de opening van het graf bij te wonen. Melissa nam een douche en zocht daarna meteen haar bed op. Ze hoorde het gezelschap beneden in de living nog urenlang gezellig praten. Ook Peter kon ze af en toe horen lachen. De reis had hem blijkbaar niet zo vermoeid als zij. Ze viel pas in slaap toen het stil was in het archeologenhuis.
Die ochtend werd Melissa wakker door de roep van een muezzin. Ze rekte zich uit en opende het raam. Charga. Palmbomen, lichtbruine aarde. Ze kon de ruïnes van de Amon-tempel onderscheiden. Een strakblauwe lucht. Hoewel het nog vroeg in de ochtend was, liepen de temperaturen al op tot boven de twintig graden. Het beloofde dus een hete dag te worden.
Ze deed wat luchtige kleren aan en ging naar de eetkamer waar de Deense archeologe al aan het ontbijt zat. Het was een vriendelijk glimlachende vrouw van een jaar of veertig die meteen thee inschonk en Melissa een kop voorzette.
Melissa stelde zich voor. De vrouw heette Heidi. Heidi wees op de foto’s die aan de muren hingen, het waren portretten van beroemde archeologen.
“Ik heb begrepen dat er hier ook ergens een foto van je vader moet hangen”, zei ze tegen Melissa terwijl ze haar thee op dronk. Melissa stond meteen op van tafel en bekeek de foto’s één voor één.
“Die van je vader hangt hier”, klonk ineens de stem van Peter. Hij stond in de deuropening. Hij keek ernstig.
“En Melissa, ik moet je dringend even spreken…”
Melissa staarde ontroerd naar de zwartwitfoto. Hij was gemaakt op de dag dat hij afreisde naar het zuiden voor zijn laatste expeditie, op het station van Cairo. Het moment herinnerde ze zich maar al te goed, de geur van gezoete dadels, de stoom van de gereedstaande locomotief. Ze herkende zichzelf in een vaag figuurtje op de achtergrond, en toen zag ze wat Peter al eerder was opgevallen… De jongen die op de bagage paste en naast haar vader stond … Onder de foto stond: “Professor Adriaan van Buren just before his final expedition, with his helper of whom nothing was ever seen or heard again…”
“Maar dat is Youssouf!”
“Inderdaad. Hij werkte vroeger blijkbaar voor je vader als knechtje. Kun je je hem niet herinneren?” vroeg Peter. Hij legde een arm om haar schouders. Melissa schudde haar hoofd. Ze kon zich alleen herinneren dat er een knecht meereisde met haar vader, niet hoe hij heette of er uitzag.
“Wat betekent dit nou? Youssouf die aan boord van de “Oriëntal Queen” werkt als stuurman, is dezelfde als de knecht die destijds met mijn vader naar de woestijn is afgereisd. Hij is dus niet omgekomen, zoals werd aangenomen… Misschien weet hij meer over de dood van mijn vader… En hij wilde ons waarschuwen voor Bechir…Waarom? Wat hebben de Zonen van de Woestijn hiermee te maken?”
Ze keek Peter niet begrijpend aan.
“Ik vind het ook zeer vreemd allemaal…” zei hij peinzend.
Melissa beet op haar lip. Ze moest hem ook wat vertellen.
“Peter, niet boos worden, maar voordat we gisteren vertrokken uit Cairo, vond ik dit briefje in mijn tas…” Ze haalde het verfrommelde stukje papier tevoorschijn en gaf het aan Peter.
“Waarom heb je me dit niet eerder laten zien?” vroeg hij.
“Het is duidelijk weer zo’n waarschuwing. Maar we zijn wel in Charga, en er is niets aan de hand. Ik zou maar niet teveel waarde hechten aan die bangmakerij. Kom, laten we ontbijten. Over een uur vertrekken we weer. En eh, zeg maar niets tegen de anderen, ik denk dat het alleen maar onrust zaait als we over al die vreemde gebeurtenissen spreken.”
Melissa haalde haar schouders op. Misschien had Peter gelijk, misschien ook niet.
“We zullen de politie toch op de hoogte moeten brengen, neem ik aan”, zei ze. Peter knikte.
“Na het ontbijt. Heb je al kennis gemaakt met Heidi? Ik ken haar nog van een opgraving in Griekenland een paar jaar geleden…” Het ontging Melissa niet dat hij bloosde tot aan zijn oren. Aha! Zat dat zo…
“Ja, ze lijkt me erg aardig”, beaamde ze. “Heb je al gezien dat ze een klein wipneusje heeft?” Peter keek haar eerst furieus aan. Toen lachte hij.
“Dat is zeker iets Scandinavisch dan… Hoe is het eigenlijk met Jouni?”
“Die heeft me gisteren de hele reis over zijn overleden vrouw verteld. Het is een aardige man.”
Melissa dacht aan de foto van haar vader. Misschien kon ze een kopie krijgen. Herinneringen aan de tijd net na zijn dood in de woestijn kwamen onverwachts boven. Haar moeder die een zenuwinstorting kreeg en nooit meer de oude werd. De begrafenis. De jaren die ze daarna doorbracht bij haar oude tante. Haar hele jeugd was door die fatale expeditie op zijn kop gezet. En Youssouf… Wat wist hij allemaal?

De tocht door de woestijn verliep allerminst zonder problemen. Om te beginnen wilde de politie de hele expeditie stopzetten nadat Peter het briefje had laten zien. Ze weigerden risico te nemen. Na een lange, verhitte discussie tussen Mr Abdoellah en de regeringsvertegenwoordiger die het aanvankelijk met de politie eens was, werd toch besloten de reis te vervolgen. Maar wel met in iedere wagen, het waren er nu zes, een bewapende agent. Dit betekende dat iedereen opnieuw ingedeeld werd en zo kwam het dat Melissa samen met Peter, Mr Abdoellah en een besnorde politieagent tegen elven in de eerste wagen vertrokken. Ze konden eerst vijftig kilometer rijden langs een kamelenroute, daarna moesten ze afslaan naar het zuidwesten en dwars door de woestijn zien te komen. De achterste wagen bleef al vrijwel meteen steken in het rulle woestijnzand. Met veel moeite trokken twee andere wagens het voertuig weer los. De tocht werd voortgezet maar er stak ineens een hevige wind op, de chamsin, die het uitzicht belemmerde en hen dwong te stoppen. Toen de wind ging liggen, zaten de wagens een meter onder het zand. Het duurde een uur om ze weer uit te graven. De inzittenden raakten uitgeput door deze slopende rit en besloten werd de nacht in de woestijn door te brengen. In het donker was rijden toch niet goed mogelijk.
Onder een inktzwarte hemel met duizenden fonkelende sterren maakten ze zich op voor de nacht. Het werd nu snel koud dus wilden ze zo snel mogelijk hun bivak klaar hebben.
Peter bleek heel handig tentjes te kunnen opzetten.
“Ik ben bij de padvinderij geweest, vandaar”, zei hij glunderend.
“Nou zie je maar weer eens waar dat goed voor is”, zei Melissa belerend. De tentjes waren net groot genoeg voor twee personen en Melissa nam aan dat Heidi bij haar in de tent zou slapen. Ze waren immers de enige vrouwen bij de expeditie.
Ze lag al in haar warme slaapzak toen de rits van de tent openging.
“Goodnight”, mompelde Melissa.
“Welterusten”, hoorde ze Peter zeggen. Ze schoot omhoog.
“Wat doe jij hier? Waar is Heidi?”
“Heidi brengt de nacht liever door met haar echtgenoot. Eén van de Hongaren, je hebt ze wel ontmoet, ik ben z’n naam weer vergeten. Hij is fotograaf. Nou, schik eens wat op met je dikke… slaapzak, dan kan ik er nog bij.”
Melissa schoof op en intussen voelde ze Peter naast haar in zijn slaapzak kruipen.
“Het is wel wat krap in zo’n tentje. Waarom ga je niet bij Mr Abdoellah slapen?” vroeg Melissa.
“Ik lig liever naast jou. Zullen we de rits van de ingang openlaten? Dan kunnen we de sterren zien. Hoor je trouwens wel hoe stil het is?”
“Niet als jij zo kletst. Ja, nu hoor ik het ook. Echte stilte. Peter, we liggen hier honderden kilometers van de bewoonde wereld. Aan alle kanten. Waarom denk je hebben ze die edelman nou zo ver in de woestijn begraven? Dat was toch niet de gewoonte van die oude Egyptenaren?”
“Geen idee. Misschien komen we erachter als jij de Nijlcode wil prijsgeven.”
Melissa zweeg. Dus dáárom was hij bij haar in de tent gekropen. De Nijlcode…
“Ik heb zo’n jeuk op mijn rug, wil je niet eens krabben?” vroeg ze na een tijdje. Peter voldeed meteen aan het verzoek. Zo’n Nijlcode had nog voordelen, dacht Melissa en ze grinnikte. Peter stopte met krabbelen. Melissa wilde zich zuchtend omdraaien om te gaan slapen, ze voelde zich lekker loom en nu Peter naast haar lag, ook veilig. Hoewel ze nog nooit de nacht samen slapend hadden doorgebracht, had het iets heel vertrouwds, zijn adem te horen, zijn knieën tegen haar rug aan te voelen… Onverwachts voelde ze zijn lippen in haar nek… Ze draaide zich om en als vanzelfsprekend vond haar mond de zijne…

Melissa werd wakker in de armen van Peter en dacht eerst dat ze nog droomde. Zijn mond raakte nog altijd haar wang. Ze luisterde naar zijn ademhaling. Zo was het bedoeld. Zo moest het gewoon altijd zijn… wakker worden in de armen van Peter… Deze nacht was ze zo gelukkig geweest, desnoods kon ze er de rest van haar leven op teren… Peter hield ook van haar. Hij had het dan wel niet gezegd, na vannacht wist ze het zeker.
Uit de andere tentjes klonken nu stemmen. Iedereen werd wakker. Ze hoorde Heidi lachen, haar fotograaf bromde iets vrolijks. Het lijkt wel een jeugdcamping in plaats van een serieuze expeditie, dacht Melissa. Peter was nog in diepe rust, wat ook geen wonder was na vannacht…
Na een provisorisch ontbijt werd alles opgebroken en in de wagens gegooid. Toen ze op het punt van vertrek stonden, zag de woestijn er weer net zo uit als de dag ervoor. Geen spoor herinnerde aan die bijzondere nacht en Melissa besloot daar iets aan te doen. Uit haar tas haalde ze de gele bloem, die in het boeket had gezeten dat ze op Terschelling van Peter had gekregen. Ze bewaarde die in haar agenda. De bloem was nu gedroogd en teer. Melissa pakte een steen op en legde de bloem eronder. Mr Abdoellah claxonneerde dat ze op moest schieten. Ze stapte snel in. Nog één keer keek ze om…

Peter tuurde door de voorruit van de terreinwagen. Hij had als taak het kleine rotsgebergte in de peiling te krijgen, waar de opgravingen aan de gang waren. Het kon nu niet ver meer zijn, zei Mr Abdoellah, maar Peter had de indruk dat ze lichtelijk verdwaald waren. Intussen dacht hij aan de nacht in het kleine tentje. Het was helemaal uit de hand gelopen… Dit had niet mogen gebeuren, hij mocht niet zo spelen met haar gevoelens, nu wist ze helemaal niet meer waar ze aan toe was. Gelukkig waren ze niet verder gegaan dan wat zoenen en strelen.
Hij keek naar haar, hoe ze achterin de hobbelende terreinwagen nog wat slaap probeerde in te halen. Ze was lief.
“Keep your eyes in front of you. Look for the hills!” beet Mr Abdoellah hem toe. Hij had grote moeite de wagen langs rotsblokken en zandduinen te sturen en verloor even zijn vriendelijke glimlach. Peter zuchtte. Het was hem ook een raadsel waarom deze edelman zo ver uit de buurt van de bewoonde wereld ter aarde was besteld. Opeens zag hij iets opdoemen aan de strakke horizon, een piepklein stipje boven het gele zand.
“There! On the left.” Hij wees Mr Abdoellah de juiste richting. Deze veegde wat zweet van zijn voorhoofd en haalde opgelucht adem. Melissa werd wakker.
“Zijn we er bijna?” zei ze geeuwend. Peter wees naar het kleine stipje, dat langzaam maar zeker groter werd.
“Dat is het rotsgebergte. Nog een uurtje rijden, zou ik zeggen.”
Het gebergte bleek nog behoorlijk uitgestrekt te zijn. Kale, bruine rotsen in grillige vormen.
“We zitten hier in de buurt van de grens met Soedan. Nou ja, in de buurt… Een kilometertje of honderd.” Peter keek op de landkaart.
“Hier zijn we.” Hij wees op een grote, gele vlek. De woestijn. Melissa slikte even. Het was wel erg ver van alles vandaan. Wat als er iets gebeurde? Als de Zonen het op hen gemunt hadden? Die anderhalve politieagent zou dan ook niets meer uitmaken…
Toen ze de plaats van de opgravingen naderden, zagen ze een twintigtal groene tentjes. Er omheen stonden diverse terreinwagens en er was zelfs een aantal kamelen die loom in de schaduw van een geïmproviseerd zonnescherm lagen te herkauwen.
Ze werden enthousiast begroet door een Egyptische professor. Ze waren net op tijd, de ingang tot het graf was die ochtend blootgelegd en als iedereen een beetje bekomen was van de reis, zou het graf worden geopend.
Peter slikte. Het ging zo snel ineens. Ook Melissa raakte opgewonden bij het idee dat ze al meteen aan de slag konden.
De professor stelde de belangrijkste opgravers voor, en enkele gidsen. Het waren allemaal woestijnbewoners, in hun traditionele lange gewaden. Ze hadden wekenlang in deze hitte gewerkt en keken uit naar een paar dagen rust, verklaarde de professor. Inderdaad zagen de mannen er vermoeid uit, wat ook geen wonder was.
De tenten werden weer opgebouwd. Melissa ontdekte al snel de douche cabines, waarop bordjes met het verzoek vooral erg zuinig met het water te zijn. Ook waren er enkele chemische toiletten.
“Van alle gemakken voorzien”, zei Peter. Hij kon haast niet wachten om met het onderzoek te beginnen. Melissa lachte naar hem. Ze kon zich niet herinneren ooit zo gelukkig te zijn geweest. Dat hij haar nu een beetje negeerde, weet ze aan de algemene opwinding die er in het kamp heerste. Vandaag was voor ieder van hen de belangrijkste dag van het jaar.
Mr Abdoellah had een megafoon in zijn handen toen hij op een groot rotsblok ging staan. Hij hield een plechtige toespraak, verwelkomde iedereen hartelijk, en daarna ging iedereen dan eindelijk naar de rotswand. Melissa maakte foto’s van Peter op weg naar het graf.
Mr Abdoellah ging hen voor in een nauwe rotsspleet waar het opeens een stuk koeler was in de schaduw. Hun ogen moesten even wennen aan de onverwachte duisternis. Ze gingen een grot binnen door een opening van niet meer dan veertig centimeter breed. Melissa kreeg het even benauwd, ze hield niet van kleine ruimtes, maar al snel stonden ze in een grote ruimte, met fakkels die de gravers hadden aangestoken als verlichting. Aan de wanden waren hiëroglyfen uitgehakt…
Melissa constateerde dat de Nubische variant hier nog niet van toepassing was. Dit schrift kende voor de archeologen in de grot geen geheimen en alsof ze een krant lazen, vertaalden ze de tekst.
“Zijn meester, de opperbevelhebber Horemheb, heeft vizier Anchoe verstoten na zijn vreemde tongen. Hij ligt hier begraven nabij zijn levenswerk” stond er.
“Deze vizier Anchoe kennen we uit geschriften uit andere graven”, vertelde één van de Egyptische archeologen. De anderen knikten, ook zij hadden weleens van deze zonderlinge vizier gehoord. In de papyrusrollen waarin men over hem sprak, werd altijd vermeld dat hij, als resultaat van zijn voorspellende gaven, als een demon werd gezien en de woestijn in gejaagd.
“En dit is dus zijn graf…” zei Peter die diep onder de indruk was. Ze schuifelden eerbiedig verder de grot in. Melissa bleef peinzend achter.
“Zijn levenswerk… wat zou dat zijn?” mompelde ze. Een straaltje zonlicht dat toch nog een kiertje in de rotswand had gevonden, verlichtte op dat moment heel even de plaats waar zij zich bevond, raakte de ring aan haar vinger… Het gebroken licht danste alle kanten uit, zette de grot in een blauwe, onwerkelijke gloed…
“Hij leefde tijdens de nadagen van de achttiende dynastie”, hoorde ze in de verte Mr Abdoellah vertellen. Melissa stond als vastgenageld alleen in de grot. De steen van de ring schitterde als nooit tevoren… Ze kon zich met moeite herstellen. Dit moest Peter zien, dit ongelooflijke spel van licht en schittering… Ze wilde de groep inhalen, maar haar benen weigerden eenvoudig verder te gaan. En toen zag ze het…
Het bevond zich vlak boven haar hoofd, waar het al die eeuwen had gezeten…

Peter merkte dat Melissa was achtergebleven. Licht geërgerd liep hij terug naar het voorste deel van de grot.
“Waar bleef je nou? Ze staan op het punt de mummie uit de sarcofaag te halen…” Ongeduldig trok hij haar mee de grot in. Melissa was nog beduusd van haar ontdekking. Ze drukte de ring tegen haar wang.
Mr Abdoellah opende intussen een soort luik. Hierachter bevond zich het eigenlijke graf van vizier Anchoe. Krakend schoof het luik aan de kant. De aanwezigen hielden hun adem in. Daar stond de sarcofaag, een eenvoudige vergeleken met die van de farao’s, maar toch indrukwekkend. De regeringsfunctionaris trad naar voren. Aan hem was de eer de sarcofaag te openen.
Terwijl iedereen gespannen toekeek, werd de sarcofaag geopend. Melissa stond achteraan en kon niet precies zien wat er gaande was, maar aan de kreten van afschuw en verbazing te horen, was er iets niet helemaal in orde.
“De mummie valt uit elkaar!” Peter sloeg zijn handen voor zijn ogen. “Verschrikkelijk! De hele mummie, er is alleen stof van over…” Aangeslagen verlieten de deelnemers aan de expeditie de grot. Melissa wierp een blik in de sarcofaag. Het was bepaald teleurstellend te noemen. Het graf van Anchoe leverde weinig tot geen historisch nieuw materiaal op, en aan de mummie hadden ze ook niets.

De stemming in het kamp was die avond geladen. De gravers die het liefste naar hun kamelen en geiten terug gingen, zaten morrend gehurkt in het zand. De grandioze opgraving van het graf van een edelman, bleek uit te lopen op een debacle. Mr Abdoellah zag er meelijwekkend uit. Hij had nu zijn uitbundige charme verloren en keek somber naar zijn schoenpunten.
Peter nam Melissa even apart.
“Waarom bleef je nou achter in de grot? Heb je iets ontdekt?” Melissa verbaasde zich over zijn opmerkingsgave.
“Ja, ik heb inderdaad iets ontdekt. Maar ik heb zo’n raar gevoel erbij, ik weet niet…” Melissa aarzelde. Misschien moest ze het maar voor zich houden… Ze liepen voorbij de kleine kampvuurtjes die overal tussen de tenten brandden. Er klonken gedempte stemmen, verwijtende stemmen. De meesten wilden de volgende dag vertrekken. Alleen sommige archeologen konden nog een greintje enthousiasme opbrengen.
“Alleen dat korte tekstje op de wand, geen voorwerpen, geen schilderingen, en nu dus ook geen mummie. Een vizier met woestijnkolder…” Peter ging zitten naast de tent waar Melissa haar spullen had gestald. Het viel haar op dat zijn spullen er nog niet in lagen.
“Ik eh, ik slaap vannacht bij Mr Abdoellah in de tent”, zei Peter. Melissa vroeg niets. Ze knikte en glimlachte dapper.
“Natuurlijk. Tenslotte ben je verloofd, nietwaar…” Ze draaide zich om en maakte dat ze in de tent kwam.
“Melissa! Melissa, wacht, wat had je nou ontdekt…” Peter kwam achter haar aan de tent binnen.
Ze veegde gauw een paar tranen weg.
“Goed. Ik zal het je vertellen. Maar beloof me dat het onder ons blijft…”

Pas na middernacht werd het eindelijk rustig in het kamp en doofden de zaklantaarns overal in de tenten.
“Nu…” fluisterde Peter. Hij sloop naar buiten, gevolgd door Melissa. Zonder dat iemand het merkte, naderden ze de grot. Er was een wacht aangesteld, maar deze lag te slapen. Er viel immers niets uit het graf te roven… Voorzichtig liepen Peter en Melissa langs de slapende man en glipten de nauwe opening van de grot binnen. De fakkels brandden nog, zij het wat flauw. Wapperende schaduwen vielen over de grillige vormen van de grot. Melissa huiverde. Ze liep naar een donkere hoek en wees naar boven.
“Daar”, fluisterde ze, “Je kunt het alleen zien vanuit deze hoek.” Peter keek. Boven in het grillige patroon van de grotwand was, bijna niet te onderscheiden, de afbeelding van een menselijk gelaat zichtbaar. Waar het rechteroog moest zitten, stak een stukje rots uit. En op de plaats van het linkeroog, prijkte heel onopvallend een steen… Een blauwe steen, net zo een als die van de ring van Melissa…
“En kijk…”, ze toonde haar ring, “Nu krijg ik hem wel los.” Ze trok de ring moeiteloos van haar vinger.
“Merkwaardig…”, fluisterde Peter, “Laten we eens proberen of die steen los kan van de ring…”
Met wat wrikken lukte het hem de steen uit de ring te krijgen. De achterkant van de steen had een klein gat, zodat hij zonder veel moeite op de plaats van het rechteroog kon worden geschoven aan het kleine uitstekende stukje rots.
“Die steen hoort duidelijk hier… ” zei Peter, “Nu zie je goed dat het een gezicht is. Maar alleen als je hier staat. Eén stap verder naar links of rechts en het effect is weg.”
“Moet je zien, als je de blik van het gelaat volgt, kijk je precies door die spleet”, zei Melissa. Ze wees.
“Jammer dat het donker is. We zullen moeten wachten tot morgenochtend om te zien waar het gelaat op uitkijkt…”
Ze gingen behoedzaam de grot uit. Melissa liep op haar tenen langs de nog steeds slapende wacht. Peter volgde haar maar bij de tent van Mr Abdoellah hield hij haar even tegen.
“Welterusten”, zei hij. Melissa knikte. Het liefst sliep ze de hele nacht weer in zijn armen. Even wenste ze Eva op de maan of de Noordpool. Ze zuchtte. Waarom was ze nou meer onder de indruk van Peters stem, zijn timbre, dan van die ontdekking van het gelaat in de grot? Verliefd…
Intussen was er buiten nóg iemand wakker. Eén van de gidsen, die in de open lucht sliepen naast hun kamelen, had zijn ogen open en keek Peter na. Hij schoof zijn tulband wat verder over zijn gezicht en knoopte een doek voor zijn mond. Toen stond hij op zonder de anderen wakker te maken en sloop naar de tent van Melissa…
Peter schoof in de slaapzak naast die van de Egyptenaar. Mr Abdoellah lag te lezen met een kleine zaklantaarn in de hand.
“Everything allright?” vroeg hij, Peter in de ogen schijnend. Hij tuurde over zijn leesbrilletje. Het viel Peter op dat hij zijn fez blijkbaar ook op hield in bed.
“Eh, yes, must be something I ate…” zei Peter. Hij had absoluut geen zin Mr Abdoellah van hun ontdekking op de hoogte te brengen. Dit was een geheim van hem en Melissa. Mr Abdoellah knipte zijn zaklantaarn uit en ging slapen. Peter bleef wakker. Zodra het licht was, wilde hij de grot weer in gaan om uit te vinden waar het gezicht in de rotswand naar keek. Misschien was het naar iets belangrijks…
Toch moest hij in slaap zijn gevallen want op een gegeven moment stond de zon alweer hoog aan de hemel zonder dat hij iets van een dageraad had gemerkt. Hij kroop uit de tent en liep de nu wakkere wacht voorbij. Deze knikte welwillend, hij mocht de grot in. En daar wachtte hem een verassing…

Melissa wilde gillen en Peter waarschuwen maar de dolk op haar keel voelde beangstigend scherp… Ze had beter moeten uitkijken, wat had ze een spijt dat ze niet meteen alarm geslagen had toen die ochtend vroeg de rits van haar tent was opengegaan… Maar ja, ze dacht dat het Peter was, die zich bedacht had en toch maar bij haar wilde slapen. Stom van haar. Het was één van de gidsen geweest, die haar meteen duidelijk maakte dat ze geen geluid moest maken. Hij dwong haar de tent uit te gaan en met hem mee te komen naar de grot, langs de nog steeds slapende wacht.
“You found something… show me!” beval hij. Melissa weigerde met bonzend hart. Ze was niet van plan het geheim van de grot prijs te geven. De gids vloekte en verzekerde haar dat hij haar keel open zou snijden. Melissa slikte maar zei niets.
De gids hield zijn dreigementen een tijdje vol, toen zuchtte hij en ging moedeloos zitten. Blijkbaar wist hij ook niet meer hoe het verder moest. Melissa wilde meteen van zijn onopletzaamheid gebruik maken om er vandoor te gaan, toen Peter de grot binnenstapte. De gids vloog meteen op en duwde de dolk tegen haar keel. Hij schuifelde met Melissa in de houdgreep naar een donkere hoek van de grot. Samen keken ze toe hoe Peter naar het deel van de grot liep waar de twee blauwe steentjes vrijwel onzichtbaar aan de wand hingen. Hij bleef een tijdje staan, tuurde door de spleet waar nu wat zonlicht door viel en dacht na. Toen draaide hij zich ineens om, een klein geluid trok zijn aandacht. Op dat moment zag hij de gids en Melissa. Als in een reflex stortte hij zich op de Arabier en schopte de dolk uit diens hand. Hij draaide de arm van de man op zijn rug. Melissa krabbelde van de grond.
“Peter! Houd hem goed vast. Hij wilde weten wat ik gevonden had in de grot. We moeten met hem naar de politie. Hij is hartstikke gevaarlijk.” Peter nam haar even bezorgd op en duwde toen de gids naar buiten. De wacht keek verbaasd op. Peter legde uit wat er gebeurd was. Er stonden al gauw enkele mensen om hen heen. De gids werd geboeid in een terreinwagen afgevoerd. Melissa had even medelijden met de gids. Een verblijf in een Egyptische cel leek haar geen pretje. Ze zocht Peter. Hij stond bij Mr Abdoellah die verontwaardigd met een van de politieagenten stond te debatteren.
“Wat een commotie. Zullen we nu maar eens gaan ontbijten?” vroeg Peter luchtig. Melissa lachte.
“Doe niet zo stoer, je staat net zo goed op je benen te trillen als ik. Ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen.”
Peter trok haar naar zich toe.
“Gelukkig niet. Ik wil je niet meer missen. Nooit.” Hij kuste haar voorhoofd. “En ik wil je iets laten zien… Ik weet waar het gezicht uit de grot op uitziet. Na het ontbijt gaan we erheen.”
Melissa kon haast niet eten van opwinding. De woorden van Peter klonken nog na in haar hoofd. Hij wilde haar niet meer missen, het was dus toch waar: hij hield ook van haar!
Aan tafel moest Peter zijn heldhaftige daad nog een paar maal verwoorden tegenover de rest van de expeditieleden. Heidi schudde haar hoofd. Ze verbaasde zich erover dat er zich blijkbaar toch nog criminelen tussen de zo zorgvuldig geselecteerde gidsen bevonden. Jouni opperde dat niemand te vertrouwen was. Mr Abdoellah verzekerde hen echter dat het bij dit ene voorval zou blijven. De bewaking werd aangescherpt. Hij keek peinzend naar Melissa. Hij vroeg zich zo het een en ander af.
Het gebeuren van die ochtend maakte de teleurstelling van de vorige dag over de inhoud van het graf een beetje goed. Jouni stelde voor nog eens goed in de grot rond te kijken, misschien hadden ze wat over het hoofd gezien. Een papyrusrol of een gemummificeerde kat of zo. Je kon niet weten. Mr Abdoellah haalde zijn schouders op en stemde toe. Terwijl de anderen weer naar de grot gingen, bleven Melissa en Peter wat achter. Bij de ingang liepen ze door en waren al gauw uit het zicht van de lichtelijk verbaasde wacht, die waarschijnlijk vermoedde dat ze gewoon wat privacy zochten. Peter wees naar een rotspunt aan de horizon, een kilometer of drie naar het oosten.
“Daar is het. Daar kijken de blauwe stenen van het gezicht naar. Wat vind je, zullen we er eens naartoe gaan?”
Melissa knikte. “Natuurlijk. Ik ben razend nieuwsgierig wat zich daar bevindt.”
Peter haalde snel wat spullen en ze begonnen aan hun privé expeditie.
“Hadden we niet beter even kunnen laten weten waar we heen zijn?” vroeg Melissa na een minuut of tien.
“Ik heb een briefje achtergelaten in mijn tent. Als we niet op tijd terug zijn zullen ze die heus wel vinden en ons gaan zoeken.”
“Laten we het hopen. Maar ik denk niet dat we veel bijzonders zullen vinden.” Ze zwoegden nog een klein half uur door het woestijnzand toen ze bij de rots aankwamen. Zo op het oog leek het een gewone kale rots, zoals er meer in de uitgestrekte woestijn waren, zo’n dertig meter hoog, een paar honderd meter lang en breed. Er was nergens een teken van leven en evenmin bewijzen dat er hier ooit zelfs maar leven was geweest. Een dood stuk rode steen, meer niet. Ze keken om naar het basis kamp en de grafgrot.
“Kijk nu eens…” Verbaasd tikte Melissa Peter aan. In de verte kwam vanuit de rots een ongekend heldere schittering die zelfs op deze afstand nog goed te zien was.
“De blauwe stenen! Het zonlicht valt door de spleet op de ogen van het gezicht… ” Peter schudde ongelovig zijn hoofd.
“Hoe is het mogelijk… Zo’n sterke schittering. Maar waar zouden die ogen dan toch naar kijken? Naar een kale rots?”
Ze beklommen de rots met moeite. Nergens viel er ook maar iets te ontdekken. Na een half uur gaven ze het op. Ze dronken wat water uit een veldfles en wilden aan de terugtocht beginnen voor de anderen hun zouden missen. Toen opeens slaakte Melissa een kreet… Ze kon geen woord uitbrengen. Onder aan de rots, net boven het woestijnzand uit, staarde haar een derde blauwe stip aan. Een derde oog…

Om de blauwe stip was met zwarte verf het contour van een menselijk oog getekend. Het oog keek hen bijna verwijtend aan. Onmiddellijk begonnen Melissa en Peter met hun handen in het zand te graven om meer van de rots bloot te leggen.
Bezweet en opgewonden ploeterden ze een tijdlang in het zand. Een tweede oog verscheen. Opgetogen groeven ze verder maar ze raakten uitgeput.
“Even op adem komen. Wat zou dit te betekenen hebben?” vroeg Peter. Melissa reikte hem de veldfles aan.
Ze keek in de richting van het kamp.
“Moeten we de rest niet eens op de hoogte gaan stellen? Ze zullen ons nu toch wel missen zo zoetjesaan.” Peter knikte.
“Nog even. Nog vijf minuten. Dan gaan we terug. Goed?”
Ze begonnen weer met hun handen in het warme zand te woelen.
Toen hield Peter ineens op. Hij ging rechtop staan. Melissa volgde zijn blik. Een paar meter hoger was een smalle spleet die ze nog niet eerder hadden opgemerkt. Peter klom naar boven, Melissa volgde hem.
De spleet was nauw en donker, en dieper dan ze aanvankelijk dachten. Na een meter of tien liep de doorgang echter dood. Peter draaide zich om om terug te keren, maar net toen hij een stap wilde verzetten, voelde hij de grond onder zijn voeten verdwijnen. Met een gil viel hij een paar meter naar beneden en sleurde Melissa in zijn val mee.
Beduusd krabbelden ze overeind. Ze waren in een grot beland. Boven hun hoofd zat het gat waar ze doorheen gevallen waren. De grot voelde kil aan. Melissa hoestte, de lucht leek bedorven. Ze veegden het stof van hun kleren en zochten naar lucifers. Peter had een halfvol pakje bij zich en stak er één aan. Melissa dacht dat ze flauw zou vallen. Het zwakke licht viel op een menselijk geraamte…
De lucifer doofde. Peter stak meteen een nieuwe aan. Ze liepen de grot verder in. Langzaam maar zeker werden de wanden gladder. Aan de wanden werden tekens zichtbaar, cirkels met in het midden een stip, ogen, menselijke figuurtjes in diverse houdingen, kevers en zwaluwen: hiëroglyfen. Ze ontdekten fakkels aan de rotswanden, gemaakt van vetklompen. Peter stak er een paar aan. Al die tijd hadden ze gezwegen, te zeer onder de indruk om iets te zeggen. Melissa hield Peters hand vast. Het was een sprookje… De rotswanden waren van boven tot onder bewerkt met hiëroglyfen. In nissen stonden grote aardewerken kruiken. Peter haalde van één het deksel en de kruik bleek een aantal volgeschreven rollen papyrus te bevatten.
“Ongelooflijk… Melissa, wat hebben we gevonden?!” Ze liepen langzaam verder de grot in. Met zijn laatste lucifers stak Peter zoveel mogelijk fakkels aan.
“Dit is dus de Nubische variant”, zei Melissa en wees op de hiëroglyfen op de rotswand.
“En ik denk dat dit het goede moment is om je de Nijlcode te geven…”

Ze waren de tijd vergeten, ze waren de wereld vergeten. De volgende uren brachten ze in extase door. Ze vonden gemummificeerde katten, een tweede menselijk geraamte en tenslotte, helemaal achterin de grot, een eenvoudige sarcofaag… Maar het belangrijkste waren de rollen papyrus. Het bleken allemaal geschriften te zijn van de vizier, Anchoe geheten, van wie ze het graf hadden gevonden in de grot bij het kamp. Hij moest als een bezetene hebben geschreven, vellen vol, over zijn visioenen en over zijn ontdekking van dit Farao-graf uit de dertiende dynastie. Het was teveel allemaal. Melissa kon wel juichen. Hoewel het graf lang niet zo spectaculair was als dat van bijvoorbeeld Toetanchamon, was dít waar ze allemaal op gehoopt hadden, en nu hadden ze het gevonden.
“Even reconstrueren. Wat weten we tot nu toe?” zei Peter en rekte zich uit. Na urenlang gebogen over de geschriften te hebben gezeten, kon hij zijn spieren voelen.
“Goed. Ten eerste: hier ligt een farao uit de dertiende dynastie, hij heette Sebekhotep. Zoals we weten, was het in die tijd een chaos op bestuurlijk gebied in Egypte. In korte tijd volgden zo’n vijftig koningen elkaar op. Deze Sebekhotep was er dus één van. Hij heeft nog geen jaar geregeerd, is naar de woestijn gevlucht en hier door enkele trouwe volgelingen eenvoudig gemummificeerd en begraven, en verder vergeten. Ten tweede: vizier Anchoe, honderden jaren later, vindt het graf als hijzelf naar de woestijn wordt verbannen en gebruikt de ruimte als opslagplaats voor de geschriften van zijn visioenen.” Melissa stopte even om op adem te komen.
“De mummie van Sebekhotep, de vergeten Farao zoals Anchoe schrijft, is misschien niet zo interessant, maar de voorspellingen van de vizier lijken me buitengewoon belangrijk.” Peter nam een nieuwe rol uit een kruik.
“Hier, moet je horen… Melissa, dit is echt heel bijzonder…”
“Lees eens voor…”
“Hij heeft het hier over een staartster, een komeet dus… Ik mag barsten als hij die van Hale-Bopp niet bedoelt… Luister: “Als de staartster terugkeert van zijn reis door de lucht, zal mijn gebeente tot stof vergaan. De edelman uit het noorden en de vrouw met het zonnehaar zullen het oog van de rotsen uit het vuur tevoorschijn brengen…” Melissa, denk jij wat ik denk?”
“De edelman uit het noorden, maar dat ben jij! En de vrouw met het zonnehaar… dat moet ik zijn. Het oog van de rotsen, dat is de saffier uit de ring. En het vuur… de brand in het museum van Lutjes! Ik vond de saffier in de smeulende puinhoop…”
Er viel een lange stilte in de grot. Toen slaakte Peter een juichende kreet.
“Melissa, dit is fantastisch! En wie weet wat we nog meer aan voorspellingen vinden. Er staan nog zo’n tien kruiken op ons te wachten…” Hij wilde opstaan maar hij zag iets dat hem tegenhield. Melissa zag het ook… De loop van een geweer, die op hen gericht was.
Het was een gesluierde man, hij zag er uit als één van de gidsen uit het kamp. Waar hij ineens vandaan kwam, was hen een raadsel.
“Hands up”, zei hij. Ze gehoorzaamden snel. De man wikkelde het doek van zijn gezicht af. Hij grijnsde hen toe.
“Bechir! De matroos van de “Oriëntal Queen”!” zei Melissa verbaasd. Nu dook er een tweede man op uit de duisternis. Hij had een stuk touw bij zich en ondanks hun verzet, bond hij Melissa en Peter vast, hun armen op de rug.
“Ze vinden ons wel…” riep Peter wanhopig, “Ze vinden heus dat briefje wel dat ik in de tent heb achtergelaten…”
“You mean this note?”" Bechir haalde grijnzend een papiertje tevoorschijn.
“I replaced it. You had to leave urgently to Cairo and took one of the cars. Of course, I took it myself.” Hij lachte.
“Why?” riep Peter. Maar Bechir doofde zwijgend de fakkels en toen verdwenen de twee mannen weer. Melissa en Peter bleven achter in de donkere grot. De touwen om hun polsen zaten stevig vastgeknoopt.
“Ze laten ons hier toch niet zo achter? Zonder water, zonder eten? Peter, we zullen sterven…” Melissa snikte. Ook Peter begreep het penibele van hun situatie. Als er niet snel hulp opdaagde, waren ze ten dode opgeschreven…
Ze schreeuwden om hulp tot hun kelen rauw waren en ze geen geluid meer konden uitbrengen.
Melissa hoorde heel vaag in de verte het wegrijden van de terreinwagens. Ze breken het kamp op, realiseerde ze zich, nu vinden ze ons nooit meer.
Na enkele uren werd Melissa te moe om te denken. Ze sloot haar ogen.
“Melissa… Melissa…” Peters stem klonk zwak in de duisternis van de grot.
“Peter… “
“Vaarwel..”

Het stormde in Den Haag. Parapluies waaiden kapot, vogels hielden zich met moeite in de lucht. Johan haastte zich uit de taxi en maakte dat hij het flatgebouw in kwam waar hij woonde. Eenmaal thuis zette hij zijn pilotenpet af en plofte neer op de bank. Het was een vermoeiende en lange vlucht geweest en hij was bekaf. Hij schonk een glas whisky in en dronk die in twee teugen leeg. Het enige wat hij nu nog wilde, was slapen…
Mia sloot de gordijnen van de woonkamer. Het was buiten guur, ze huiverde. Gelukkig brandde binnen de open haard. Ze kon zich die avond niet goed op haar boek concentreren en tegen tienen kuste ze haar man op zijn voorhoofd en ging naar bed.
Professor Lutjes knipte zuchtend het leeslampje boven zijn bed uit. Buiten raasde de wind, het zou hem verbazen als hij in dit tumult een oog dicht zou doen. Maar binnen een minuut gleed het dikke boek dat hij vergeten was op het nachtkastje te leggen, langzaam van het bed. Lutjes sliep…

Woestijn. Een dorre vlakte, zand, rotsen, hier en daar een geribbeld duin… Johan woelde in zijn slaap, de droom maakte hem onrustig. Mia, in haar bed, zich draaide ook om. Ook zij droomde van de woestijn. Heel duidelijk zag ze een rode rots… Er was iets op de rots getekend, ze kon niet zien wat het was, het leek op een oog…
Professor Lutjes droomde dat hij een grot binnenging. het was er donker en koud. Opeens zag hij een bekend gezicht, het gezicht van Melissa… Ze riep hem geluidloos… “Help me!” vormden haar lippen… Lutjes schrok wakker en schoot overeind. “Melissa…” mompelde hij. De droom had zo echt geleken… Op dat moment ging de telefoon.
“Professor Lutjes? Met Mia. Het spijt me dat ik u op dit uur van de dag, nacht, opbel, maar het gaat over Melissa…”
Even later ging de telefoon bij professor Lutjes weer.
“Met Johan, u weet wel. Het is misschien wat laat, maar ik wilde u toch graag even spreken. Het gaat over Melissa…”

Het werd nacht.
Melissa begon te hallucineren.
Een grote vogel vloog over het geraamte in de grot, het geraamte werd levend en veranderde in de vrouw die de sleutel van het zomerhuisje op Terschelling aan haar had gegeven. Ze herkende Melissa en zwaaide vriendelijk, toen viel haar huid ineens uit elkaar en werd ze weer het geraamte. Tegen de ochtend had Melissa een andere hallucinatie. Annie verscheen, ze fluisterde dat alles wel goed zou komen en verdween toen weer. Ze probeerde iets tegen Peter te zeggen, maar hij lag bewusteloos naast haar. De dag verstreek, niemand die hen vond… Het werd weer nacht. Nog altijd zaten Melissa en Peter vastgebonden in de grot. Het hallucineren begon weer. Ze zag de gezichten van Mia, van professor Lutjes en van Johan…
“Johan…” Het gezicht leek zo echt, zo dichtbij…
“Melissa! Wat ben ik blij dat ik je gevonden heb…” De stem van Johan. Het was Johan echt… Toen verloor Melissa het bewustzijn.

“Ze komt bij!” hoorde ze een bekende stem zeggen. Het was Mia. Ze opende haar ogen. Ze lag in een wit bed met schone lakens. Aan haar arm was een slangetje bevestigd, een infuus begreep ze.
“Waar ben ik?” vroeg ze zwak. Mia stond naast het bed, met tranen in haar ogen. Ze pakte de hand van Melissa.
“Je bent in het ziekenhuis. In Cairo. Maak je geen zorgen, je bent alleen maar wat uitgeput, onderkoeld en uitgedroogd.”
“Peter?”
“In orde. Die loopt al weer rond. Praat maar niet. Ik zal je alles vertellen.” Op dat moment kwam Peter de kamer binnen. Hij streelde even haar haar.
“Melissa… Goddank, je bent weer bij. Je bent drie dagen bewusteloos geweest. Ik haal een dokter.” Hij verdween weer.
“Hoe kom jij hier eigenlijk?” vroeg Melissa aan Mia.
“Ik had een droom. Ik droomde dat jij om hulp riep. Het was heel echt. Zo echt dat ik niet meer kon slapen. Midden in de nacht heb ik Lutjes uit zijn bed gebeld. En wat bleek? Die had precies dezelfde droom. Ook over jou. En Johan ook… “
“Johan? Ik zag Johan…”
“En Lutjes. Ze zijn hier ook. Midden in de nacht heeft Johan gebeld naar Egypte. Mr Abdoellah bleek in Charga te zitten en hij vertelde dat jullie onverwacht waren afgereisd met twee gidsen en een terreinwagen. Jullie hadden alle spullen zelfs achtergelaten. Er lag een briefje in de tent waarin stond dat onvoorziene omstandigheden jullie hadden genoopt te vertrekken. Johan, Lutjes en ik wisten meteen dat er iets niet klopte. We vertelden Mr Abdoellah van onze droom. ‘s Ochtends vroeg zijn we met z’n drieën naar Cairo gevlogen. Daar kon Johan een vliegtuigje lenen van een bevriende piloot. We zijn meteen vertrokken, regelrecht naar de woestijn. Intussen was Mr Abdoellah daar ook al aangekomen met een ambulance. En toen zag ik die rode rots van uit het vliegtuig…”
“Je kunt niet landen op die plek… Te veel stenen. Rotsblokken. Vliegtuigen kunnen er niet landen, daarom moesten we met terreinwagens…”, stamelde Melissa.
“Johan gaf nergens om. Zodra hij de rots zag waarover hij gedroomd had, zette hij het toestel aan de grond. Kind, ik dacht dat we er geweest waren, zo’n beroerde landing. Maar nog geen halfuur later hadden we je gevonden. En Peter.”
Nu verscheen professor Lutjes aan het bed.
“Eerst wilden de autoriteiten nog moeilijk doen omdat we geen papieren en geen toestemming om te landen en weet ik wat al niet meer niet hadden, maar dat is allemaal uitgepraat. O, Melissa, ik ben zo blij dat je nog leeft.”
Melissa had nog een heleboel vragen maar de dokter die haar wilde onderzoeken, stuurde de anderen weg.
Een kwartiertje later kwam Peter terug, met een grote bos bloemen.
“Hoe is het met jou?” vroeg ze terwijl hij de bloemen in een vaas deed.
“Prima. Een stuk beter dan met jou, in ieder geval. Ik ben al een dag op.” Hij kuste haar voorhoofd.
“En eh, Eva?”
“Zit nog altijd in het Luxor.” Ze keek hem vragend aan, maar hij zweeg en glimlachte alleen maar. Ze besloot het onderwerp Eva niet verder aan te roeren.
“Vertel eens, is Bechir al opgepakt?” vroeg ze. Peters gezicht werd ernstig.
“Bechir is gearresteerd. En hij heeft een ellenlange bekentenis afgelegd. Het komt er in het kort hier op neer: de Zonen van de Woestijn wisten dat de voorspellingen van vizier Anchoe ergens in één van de graftombes in de woestijn moesten liggen, alleen niet precies waar. Zelf zijn ze afstammelingen van die Anchoe, of tenminste dat beweerden ze, en ze wilden hun voordeel doen met die voorspellingen door ze te verkopen aan de Egyptische regering. Alleen, ze wisten dat Anchoe de Nubische variant van het hiëroglyfenschrift gebruikte. Ze zochten dus ook naar de Nijlcode. En, omdat Youssouf wist dat je vader die Nijlcode aan jou had doorgegeven…”
“Youssouf?”
“Ja, Youssouf hoorde ook bij de Zonen van de Woestijn. Maar hij wilde niets meer met geweld te maken hebben nadat Bechir en zijn trawanten…” Peter aarzelde even,”… je vader hadden vermoord… “
Het bleef een tijdlang stil in het zaaltje. Melissa snikte zacht, Peter hield haar in zijn armen.
“Ze hebben hem vermoord… O, Peter, vermoord… Ik heb altijd al geweten dat zijn dood geen ongeluk was!”


By on 11:03
Hoofdstuk 4 -vervolg-

“En ze hebben jou jarenlang in de gaten gehouden.”
Melissa slikte.
“Dus dat gevoel dat ik steeds achtervolgd werd?”
“Dat was ook echt zo. Toen ze hoorden van het nieuw ontdekte graf, besloten ze de Nijlcode te stelen. Maar die vonden ze natuurlijk niet…”
“De brand, de inbraak…”
“Zelfs de diefstal van je schoudertas. Allemaal om de Nijlcode in handen te krijgen. Toen ze wisten dat we met de “Oriëntal Queen” naar Egypte zouden afreizen, hebben ze het zelfs voor elkaar gekregen dat ze als matroos en tweede stuurman op het schip konden aanmonsteren. Heel waarschijnlijk hebben ze ook vriendjes in de regering zitten, en bij de politie, zodat Bechir in Port Said kon ontsnappen. Dat wordt nog uitgezocht. Die Zonen van de Woestijn vormen samen een zeer invloedrijke organisatie.”
Melissa moest het allemaal verwerken. Peter liet haar alleen zodat ze kon rusten, maar haar gedachten maalden door haar hoofd. Een verpleegster bracht haar tenslotte een pilletje en ze viel in slaap.
Intussen belde Peter in de hal van het ziekenhuis naar Nederland om zijn moeder van hun hachelijke avontuur op de hoogte te stellen. Hij kreeg Gerard aan de telefoon. Hij werd bleek toen Gerard hem moeizaam vertelde dat zijn moeder een dag eerder was overleden…
Toen hij de telefoon neerlegde en als verdoofd in de hal op een stoel neerzeeg, kwam Eva net het ziekenhuis binnen. Ze zoende Peter op zijn wang maar hij reageerde nauwelijks. Ze zag dat er iets mis was. Peter legde de situatie uit. Snel schreef hij aan een tafeltje in de hal een briefje aan Melissa.
“Ik moet een vlucht naar Nederland boeken,” zei hij gehaast, “Ik moet meteen weg, morgen is de begrafenis. Als ik nu snel inpak en me uit het ziekenhuis laat ontslaan…” Hij vouwde de brief voor Melissa en deed die in een envelop die hij dichtplakte.
“Eva, wil jij zorgen dat Melissa deze brief krijgt. Ze rust momenteel en ik wil haar niet storen.” Eva knikte en nam het briefje aan.
“Reserveer twee plaatsen! Ik ga met je mee!” riep ze hem nog na voor hij de lift in verdween. Zo gauw hij uit zicht was, scheurde ze de envelop open en las:
“Lieve Melissa, neem me alsjeblieft niet kwalijk dat ik je zomaar hier achter heb gelaten. Ik moet echter om heel droevige redenen naar Nederland terug en kan je voor die tijd niet meer zien, hoe graag ik ook nu in je nabijheid zou willen zijn. Mijn moeder is gestorven. Ze was al een tijd ziek, maar ik wist niet dat het zo ernstig was. Melissa, zo gauw je in Nederland bent, neem dan contact met me op. Ik hou van je. Peter.”
Eva stak het briefje in haar zak. Ze keek grimmig. Melissa zou een briefje krijgen… Maar de inhoud zou iets anders uitvallen. Tenslotte had ze het nog niet opgegeven. Peter was nog steeds haar verloofde. Met wat geluk won ze die weddenschap… Een half miljoen gulden! Het was de moeite van het proberen waard.
Mia en professor Lutjes kwamen nu ook de hal binnen, met bloemen voor Melissa. Eva stapte op ze toe. Hoewel ze hen nog nooit had ontmoet, wist ze wel zo ongeveer wie het waren. Ze stak haar hand uit.
“Ik ben Eva Hermans, de verloofde van Peter. Ik heb helaas vreselijk nieuws. Peters moeder is onverwacht overleden. Hij is nu bezig met pakken, we nemen het eerste vliegtuig naar Nederland.”
Mia en Lutjes keken haar ontzet aan.
“Wat vreselijk! Arme Peter, naar wat ik gehoord heb, had hij een hele goede band met zijn moeder”, zei Lutjes.
“En Melissa. Die zal het ook verschrikkelijk vinden.” Mia sloeg haar handen ontzet voor haar mond.
Eva haastte zich Mia te laten beloven niets over de dood van Peters moeder aan Melissa te vertellen.
“Hij wil het haar zelf zeggen, als ze wat sterker is.”
Melissa werd de volgende ochtend pas wakker.
Er stond een envelop tegen de vaas op het nachtkastje. Het was een brief van Peter.
“Lieve Melissa,”, schreef hij, “Eva en ik moeten onverwacht terug naar Nederland. Veel sterkte. Over een tijdje neem ik wel weer contact op over hoe het verder moet met je werk voor mij, Peter.” Niet begrijpend las ze de brief nog eens over. Waarom liet hij haar nu ineens alleen? Ze had nog zoveel vragen, ze had hem zo nodig…
Mia en professor Lutjes kwamen langs met bloemen en bonbons. Ze keken ernstig.
“Weten jullie waarom Peter zomaar weg is gegaan? Is er iets met Eva? De baby?” Lutjes en Mia keken elkaar even aan.
“Nee, nee, echt niet. Maak je maar geen zorgen. Alles is in orde. Hier, kijk eens.” Mia gaf haar aarzelend een bosje narcissen.
“Ik had ze je gisteren al willen geven, maar je sliep. Ze zullen wel snel uitgebloeid zijn, ben ik bang, want het zijn tietlozen”, zei ze.
“Tietlozen?” vroeg professor Lutjes verbaasd, “Wat zijn dat?” Mia haalde haar schouders op.
“Het zal wel iets Fries zijn, mijn moeder kwam uit Friesland.”
Melissa merkte wel dat ze haar aandacht van Peter probeerden af te leiden. Mia wees naar de deur.
“En we hebben nog een verrassing… Kijk eens wie daar binnenkomt…”
“Johan!” Verrast strekte ze haar armen uit. Johan omhelsde haar innig.
“Wat zie je er al weer goed uit, hoe gaat het?” Hij zoende haar en ze moest hem bijna van zich af duwen om wat lucht te krijgen.
“Sorry dat ik nu pas hier ben, problemen met de autoriteiten over onze woeste woestijnvlucht. Ik moest de Cessna ook nog terugbrengen.”
“Dus je bent helemaal naar de woestijn gevlogen om ons te zoeken?” Melissa keek hem ongelovig aan. “Alleen maar vanwege een droom?”
“Het was zeker geen gewone droom, Melissa. Je weet dat ik niet in paranormale toestanden geloof, maar dit keer was er zeker iets bovennatuurlijks aan de hand. Toen ik je daar vond in die grot… Ik dacht eerst nog dat we te laat waren, je lag er zo roerloos bij.” Hij omhelsde haar nogmaals.
“Ik weet niet hoe ik je bedanken moet. Als jullie niet meteen waren gekomen, waren we nu zeker dood geweest.”
De volgende dagen knapte Melissa weer zover op, dat ze de terugreis naar Nederland mocht gaan voorbereiden. Samen met Mia pakte ze haar spullen. Van Peter had ze nog niets gehoord.
“Wie past er nu thuis bij je op?” vroeg Melissa, die de aanwezigheid van haar vriendin zeer op prijs stelde.
“Ab. Ab heeft vrij genomen. Wegens dringende aangelegenheden.”
“Die Ab. Maar hij kan toch niet koken?”
“Maak je maar geen zorgen. Er is altijd nog patat, de chinees, de pizzeria, mijn moeder, dus verhongeren zullen ze niet. En morgen gaan we alweer naar huis. Een mooi land, Egypte, maar ik ben toch liever op m’n eigen”, zei Mia quasi stijfjes.
Professor Lutjes kwam binnen. Hij zag er bleek en geschrokken uit.
“Wat is er?” vroeg Melissa.
“De voorspellingen van Anchoe… Het is vreselijk…”
“Hoezo, wat is er gebeurd?”
“Je weet toch dat Mr Abdoellah met hetzelfde expeditieteam waarin jullie zaten nu de graftombe van Sebekhotep onderzoekt? Dol van vreugde, in pure extase etcetera?” Hij sloeg kwaad met zijn vuist op het nachtkastje.
“Ja?” Melissa wist het maar al te goed. Tot haar grote teleurstelling en die van Peter, vond de arts het totaal onverantwoord voor allebei om terug te gaan. Voor hen was de expeditie helaas afgelopen. En er viel zoveel in die grot te ontdekken!
“Wat is er dan?”
“Stelletje amateurs! Knoeiers! Alles verloren…”
“Hoe bedoelt u, professor?”
“Ze hebben de papyrusrollen uit de grot gehaald! Uit de grot!” Melissa keek hem aan, en begreep hem niet.
“Wat is daar dan verkeerd aan?” vroeg ze voorzichtig. Lutjes leek te ontploffen.
“Wat daaraan verkeerd is? Alles! Alles is daaraan verkeerd. Het papyrus kon niet tegen de frisse lucht. De rollen zijn meteen verpulverd. Alle voorspellingen zijn weg… Er zat iets in de lucht in de grot dat het papyrus 35 eeuwen lang goed hield. Een soort natuurlijk conserveringsmiddel, zeg maar. En nu… Er is niets meer van over…”
Melissa zuchtte.
“Wat verschrikkelijk zonde…” Ze dacht aan de voorspelling die ze nog wel hadden gelezen, over de edelman en de vrouw met het zonnehaar. Die was nu ook verloren, natuurlijk.
“O, en ze zijn er ook achter hoe het kwam dat je zo hallucineerde in die grot. In beide grotten komt een soort fungus voor, een schimmel, die hallucinaties veroorzaakt. Omdat je eerst in de ene grot urenlang vastzat met die gids, en later weer urenlang in die andere grot, kreeg je een te hoge dosis van die fungus naar binnen. Daar ging je dus van hallucineren. En het zorgde er ook voor dat je zolang bewusteloos was. Ze gebruiken nu gasmaskers. Maar ja, er valt niet veel meer te onderzoeken…”
De volgende dag mocht ze naar huis. Het was even slikken, ze zou met een vliegtuig moeten. Johan sprak haar moed in.
“Het is niet eng. Ik zal de hele tijd je hand vasthouden…”
Wie zou de hand van Peter hebben vastgehouden toen hij naar Nederland vloog? Eva? Melissa probeerde niet aan Peter te denken. Hij had immers niets meer van zich laten horen.
Mia en professor Lutjes namen afscheid van Mr Abdoellah die ze vriendelijk onderdak had verschaft en er voor had gezorgd dat de bagage van Melissa en Peter naar Cairo was overgebracht. Hij kwam ook nog even bij Melissa en vertelde dat hij verheugd was dat ze zo was hersteld. Hij zou haar op de hoogte houden over het proces tegen Bechir en andere Zonen van de Woestijn. Melissa nam hartelijk afscheid van hem en stapte in de taxi. Net toen deze wilde vertrekken, werd het portier opengerukt. Iemand gooide een pakje naar binnen.
“Youssouf!” Melissa staarde hem verbaasd aan, maar voor ze nog iets kon zeggen, verdween Youssouf weer. Hij rende weg, de nauwe straten van Cairo in, verbluft nagekeken door Mr Abdoellah, die er niets van begreep. De taxi reed weg. Johan opende het pakje. Het was haar oude gestolen schoudertas. Alles zat er nog in, zelfs de schelpen die ze op het strand van Terschelling had verzameld. Plus een kort briefje: “Sorry…”


By on 11:01
hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Het vliegtuig landde vroeg in de avond op Schiphol. Melissa was één van de eersten die uitstapte.
“Ah, Johan, ik ben zo blij dat we er zijn, ik kan de grond wel zoenen.”
“Zoen mij maar”, zei hij. Melissa omhelsde hem lachend. Ze wachtten op de anderen, met de armen om elkaar heen geslagen.
Mia en professor Lutjes volgden hen naar de aankomsthal. Het was een vrolijk gezelschap. Peter stond achter één van de ruiten en zag ze aankomen. Het verbaasde hem niet echt, Johan en Melissa zo innig met elkaar te zien. Het zat er dik in, tenslotte had hij haar gered uit de woestijn. Een happy end. Hij kon maar beter weggaan voor ze hem zagen. Zijn stemming zou de sfeer maar bederven. Ze had hem niet meer nodig. Ze had Johan.
Even later reden ze weg. Melissa ging met Mia naar huis. Ze zwaaide naar Johan die professor Lutjes thuis bracht.
“Ik ben benieuwd hoe het Ab vergaan is…” mompelde Mia.
Dat viel nogal mee. Het huis zag er keurig uit, de kinderen droegen schone kleren en zelfs de ramen waren gelapt.
“Ik denk dat ik maar eens wat vaker naar Egypte afreis”, zei Mia, “Het huis heeft er in tijden niet zo opgeruimd uit gezien.” Melissa wilde meteen Peter bellen om te vertellen dat ze waren aangekomen, maar Mia hield haar tegen.
“Wacht maar tot morgen”, zei ze, “Je bent er net. Rust eerst wat uit.” Zuchtend legde Melissa de hoorn weer neer.
“Je hebt gelijk, ik ben doodop. Vind je het erg als ik meteen de logeerkamer opzoek?”
“Natuurlijk niet. Je moet nog veel rusten heeft de dokter gezegd. Welterusten.”
Slapen kon Melissa echter niet die nacht. Het hele avontuur in Egypte spookte steeds weer door haar hoofd. Ze zouden nog weleens terug moeten om tegen Bechir te getuigen in de rechtszaal maar dat kon nog wel even duren.
De volgende morgen bracht Mia haar ontbijt op bed.
“Er is al voor je gebeld ook” zei ze opgewekt.
“Peter?”
“Johan. Hij komt je vanmiddag opzoeken.”
“O, leuk. Hmm, lekker, ik heb best trek.”
Mia verdween weer en Melissa at met smaak haar ontbijt. Hoewel ze de hele nacht wakker had gelegen, voelde ze zich merkwaardig fit.
Er klonk ineens een kreet door het huis. Het kwam uit de badkamer. Melissa snelde er naar toe en vond Mia poedelnaakt op de weegschaal.
“Mens, wil je dat nooit meer doen? Ik heb net veel stress te verwerken gehad, weet je wel?” zei Melissa grijnzend. Mia keek beteuterd.
“Ik heb in alle consternatie nog kans gezien vijf kilo aan te komen”, zei ze sip, “Die gebakjes van mevrouw Abdoellah waren ook zo lekker… maar wel mierzoet. Stikvol calorieën.”
“We gaan joggen”, zei Melissa energiek, “We krijgen die pondjes er wel af.”
“O, nee, niet wéér, hè?” Mia keek haar ongelukkig aan. Maar nog geen kwartier later liep ze, naar haar gevoel volkomen voor joker, door de duinen te rennen.
Melissa hield af en toe halt om haar vriendin de gelegenheid te geven haar in te halen. Puffend bereikte Mia een duintop.
“Waar sta jij nou naar te kijken?” vroeg ze toen ze weer wat op adem was. Melissa wees naar een landhuis.
“Daar woont Peter. Met z’n moeder en een heuse huisknecht. Zullen we hem eens opzoeken?” Ze wilde al naar beneden rennen, maar Mia gilde: “Nee! Niet doen! Wacht. Zó kunnen we daar toch niet verschijnen?”
Melissa keerde om.
“Goed, je hebt alweer gelijk, maar ik wil hem zo graag weer zien. Ik zal hem straks eens bellen. In ieder geval hebben we beweging genoeg gehad voor vandaag. Kom op, we gaan naar huis. Lekker douchen.”
Johan kwam die middag al vroeg langs. Hij nodigde haar uit voor een ritje in zijn nieuwe wagen. Melissa aarzelde. Het enige wat ze wilde was Peter bellen. Maar Johan en Mia duwden haar bijna de auto in.
Melissa staarde voor zich uit. Er was iets behoorlijk niet in orde.
“Johan, zeg nou eens eerlijk, is er iets met Peter? Ik heb het idee dat jullie persé niet willen dat ik hem spreek.”
Johan keek haar aan. Hij stopte de auto.
“Oké. Het heeft lang genoeg geduurd. Ik zal je vertellen wat er gebeurd is.”
Zijn gezicht stond nu ernstig.
“Het is zijn moeder…”
“Annie? Is er iets met haar?”
“We wilden het je niet vertellen omdat je zo gek op haar was… “
“Was?”
“Je had al zoveel meegemaakt, Eva zei dat Peter het beter vond dat je het niet wist… Annie is overleden. Ze was al lang ziek, maar niemand wist hoe ernstig. Ze wilde niet dat Peter speciaal voor haar sterfbed terug naar huis zou vliegen. Toen Peter naar huis belde vanuit het ziekenhuis in Cairo, heeft Gerard het hem moeten vertellen. Ze hebben de begrafenis kunnen uitstellen tot hij in Nederland aankwam. Het spijt me. Het was voor je bestwil.”
Melissa zweeg. Tranen gleden over haar wangen. Dus daarom was Peter ineens vertrokken naar Nederland. Voor de begrafenis van zijn moeder.
“Johan, wil je me naar Duynoord rijden? Ik moet hem zien.”

Gerard deed open. Hij zag er vermoeid en triest uit. Het viel Melissa op dat Farao niet blafte, zoals gewoonlijk als er iemand aan de deur was. Gerard was beleefd maar niet van plan hen binnen te laten. Hij vertelde dat Peter niet thuis was, dat hij een paar dagen eerder vertrokken was en de hond had meegenomen en een grote koffer, en dat hij ook niet wist wanneer hij weer terug zou komen.
Verbluft liepen Johan en Melissa terug naar de auto. Ze keek eens om naar het landhuis, dat er nu ineens zo naargeestig uit zag. Ze begreep er niets van.
De volgende dagen deed ze een aantal pogingen Peter aan de telefoon te krijgen, maar ze hoorde slechts het antwoordapparaat met een onpersoonlijk berichtje dat men na de pieptoon maar een boodschap in moest spreken. Ze sprak er een aantal in, toen gaf ze het op. Peter was blijkbaar nog niet terug en anders wilde hij haar blijkbaar niet spreken.
Intussen kwam haar salaris binnen, haar salaris als secretaresse van Peter. Het was veel, veel meer dan ze ooit bij Lutjes had verdiend. Ze voelde zich een beetje schuldig, tenslotte had ze er maar weinig voor gedaan. Aan de andere kant, als Peter niet bereikbaar was kon ze ook moeilijk voor hem werken. Ze trok weer in haar eigen flat maar al na een paar dagen wist ze niet meer wat ze doen moest.
“Ga er een paar dagen tussenuit,” adviseerde Mia.
“Alweer? Ik ben pas nog naar Terschelling geweest?”
“Nou, dat beviel toch goed? Ga nog eens. Waai lekker uit. Je hebt er nu het geld voor.” Dat was waar. Melissa hoefde niet lang na te denken. Ze belde naar het Waddeneiland en informeerde of de “Zeemeeuw” misschien te huur was. Per direct.
“U heeft geluk”, hoorde ze zeggen, “de “Zeemeeuw” was geboekt maar de boeking is geannuleerd. U kunt er deze hele week in.”

“Dit moet natuurlijk geen gewoonte worden”, zei Mia grijnzend achter het stuur van haar auto terwijl ze de veerboot naderden. Ze parkeerde haar auto. “Wanneer haal je nu zelf eens je rijbewijs?”
“Als ik terug kom. Echt waar. Het eerste wat ik ga doen, is mijn rijbewijs halen. En met de lift op en neer. En misschien parachutespringen. Al die dingen die ik nooit durfde.” Mia keek haar peinzend aan.
“Overdrijf je niet een beetje? Kalm aan, hoor.”
Maar Melissa schudde haar hoofd.
“Ik heb genoeg kalm aan gedaan. Van af nu ga ik léven, alle dingen doen die ik altijd al wilde doen.”
Mia was het nu die haar hoofd schudde.
“Volgens mij ben je echt toe aan wat frisse lucht. Kom maar weer terug als je ontnuchterd bent.” Melissa lachte, gaf haar vriendin een zoen en verdween met de stroom vakantiegangers de veerboot op.

Melissa zette haar fiets neer en haalde diep adem. Het was een diepe zucht. Een eenzame meeuw vloog krijsend boven haar hoofd. Alles leek zo anders dan de laatste keer dat ze hier was. Ze voelde zich anders. Leger… Ze had verwacht dat het eiland haar weer zou louteren, voeden, maar nu ze hier voor het zomerhuis stond, wist ze dat ze een grote vergissing had gemaakt… Dit was geen oplossing, het onrustige gevoel zou hier niet door over gaan. Alleen Peter zou daarvoor kunnen zorgen… Maar Peter leek wel opgelost in het niets. Waarom? Waarom nou toch? Met tranen in haar ogen ging ze naar binnen.
‘s Middags maakte ze een strandwandeling. Er waren dit keer wat meer mensen, paartjes die hand in hand liepen. Ze werd zich er van bewust hoe alleen ze was, alleen op het strand. Het was koud, ze huiverde in haar dikke jack. Ze zou terug gaan en de open haard aansteken.
Toen ze de “Zeemeeuw” naderde, zag ze het dak van de “Reiger” boven het volgende duin uitsteken. Daar had ze samen met Peter naar muziek geluisterd, gepraat over hun werk en interesses. Nu lag het zomerhuis er verlaten bij. Of misschien toch niet? Ze was nieuwsgierig, misschien waren er wel gasten in. Ze kon natuurlijk even neuzen.
Met kloppend hart beklom ze het steile duin. Wat als iemand haar zag? Nou ja, ze kon altijd zeggen dat ze zich had vergist.
Zo te zien was er niemand aanwezig. Een beetje teleurgesteld wilde ze het duin weer afdalen, toen zag ze dat de deur niet goed dicht zat, hij klapperde zacht in de wind. Ze wilde hem dichttrekken, maar bedacht zich. Ze duwde hem open en ging naar binnen.
Het interieur kende ze nog. Er hing een donker jack aan de kapstok, waren er dan toch gasten? Ze hoorde niets.
“Vollek!” riep ze, zo kon niemand haar van insluipen betichten. Want het was natuurlijk wel insluipen wat ze deed. In de woonkamer lagen allerlei spullen uitgespreid over de vloer, de salontafel en de kasten. Papieren, zag Melissa. Honderden velletjes. Enigszins gegeneerd pakte ze één velletje op en las sluiks wat er stond. Verbaasd bleef ze lezen… Ze pakte andere velletjes, ging zitten en las door.
“Spannend?” klonk er opeens een boze stem.
Melissa schoot omhoog. De stem klonk wel erg bekend. De man die in de deuropening stond, was ook erg bekend. En het zwarte hondje naast hem …
Maar hij draaide zich om en liep met grote stappen naar buiten, nog voor Melissa iets had kunnen uitbrengen. Ze rende hem achterna.
“Peter, wacht! Peter!”
Ze haalde hem in bij de vloedlijn. Zijn gezicht stond stuurs. Farao die vrolijk tegen haar opsprong, likte haar hand.
“Peter… waarom doe je zo… zo…” Ze pakte hem beet en keek hem aan, hij rukte zich los. Farao jankte en legde haar oren plat van schrik.
“Wat kom jij hier doen?” vroeg hij nors.
“Peter, ik wist niet dat jij hier was… Wat is er met je aan de hand? Ik wil je zeggen hoe erg ik het vind van je moeder…”
Hij draaide zich abrupt naar haar toe.
“O, ja? Nu wel? Waarom liet je niets horen toen mijn moeder werd begraven. En al die keren dat ik je geschreven heb? Of je alsjeblieft hier naar me toe wilde komen? Omdat ik je nodig had? Je hebt nooit iets laten horen.” Melissa was te verbaasd om te antwoorden. Peter betreurde zijn uitval.
“Melissa, ik… Het spijt me.” Opeens greep hij haar schouders en drukte haar tegen zich aan.
“Ik hou zo van je, ik heb je zo gemist.” Een tijdlang omhelsden ze elkaar. Toen maakte Melissa zich los.
“Ik geloof dat we eens even moeten praten. Bij jou of bij mij?”
Het werd de “Reiger”. Peter schonk een flinke bel cognac voor hen beiden in. Farao kroop bij Melissa op schoot.
“Dus jij hebt me geschreven? Meerdere keren?” vroeg Melissa peinzend.
“Jazeker. Eerst al een brief waarin ik je schreef dat mijn moeder was gestorven en ik overhaast uit Cairo moest vertrekken om voor de begrafenis. Eva heeft die nog snel bij de afdeling van het ziekenhuis afgegeven terwijl ik de vlucht boekte….” Melissa fronste haar wenkbrauwen.
“Ik heb alleen maar een heel koel en kort briefje gehad…” mompelde ze. Eva! Eva moest het origineel achterovergedrukt hebben…
“Eva heeft me door die donkere tijd na de begrafenis heen gesleept en zij heeft ook die brieven naar jou gepost.”
“Weet je dat wel zeker? Ik heb ze nooit ontvangen…” Melissa ordende wat papieren op de grond om een plekje voor haar glas te vinden.
“Bedoel je dat Eva… Zou ze die brieven…”
“Die heeft ze gewoon niet gepost. Dat vermoed ik. Ze heeft ook tegen Mia en Lutjes en Johan gezegd dat jij het beter vond als ik niets afwist van het overlijden van je moeder.”
“Maar ze wist hoe belangrijk het voor me was…”
“Ze is je verloofde, weet je nog wel? Hoe gaat het eigenlijk met haar? En de baby?”
Peter keek haar perplex aan.
“Dat weet je dan natuurlijk ook niet. De verloving is voorbij. En ze is ook niet zwanger. Het was allemaal één grote leugen. Ze had een weddenschap afgesloten met die jetset vriendjes van haar. Als ze binnen een half jaar een adellijke titel voor haar naam zou kunnen schuiven, zou ze een half miljoen gulden winnen. En omdat haar moeder bevriend was met de mijne, dacht ze mij wel te kunnen strikken voor een huwelijk. Desnoods door mij te laten denken dat ze zwanger van me was. Dan had ze immers haar adellijke titel. Wat zeg je me daarvan?” Hij nam een teug cognac.
Melissa kon het niet geloven. Peter moest zich vergissen. Zoiets deed toch niemand.
“O, toen ze er niet meer omheen kon, toen ik ontdekte dat ze niet zwanger was, op de dag van de begrafenis, ja toen heeft ze het maar opgebiecht. Zelfs de zwangerschapstest had ze vervalst in het laboratorium waar ze werkt. Ik wilde haar meteen de deur uit zetten, maar ze ging mee naar Terschelling. Om me te steunen. Als oude vrienden. Ik was te verward om haar door te hebben. En toen schreef ik je dus die brieven.”
“Had maar gebeld. Had Gerard maar laten bellen.”
“De telefoon hier is stuk. Ik kon Gerard ook niet bereiken en ik kon het niet opbrengen naar het dorp te lopen. Kom, kom hier bij me.”
“Wacht even,” zei Melissa en dook achter het telefoontafeltje, “Net wat ik dacht, de telefoon is niet stuk, de stekker is er alleen uit.”
“Maar daar heeft Eva nog naar gekeken…” stamelde Peter.
“Eva!” brachten ze toen allebei tegelijk lachend uit.
Uren gingen voorbij. Het werd avond, ze ontstaken kaarsen. Ze vreeën voor het vuur van de open haard.
Pas de volgende morgen, toen ze wakker werden in het grote bed in de “Reiger”, met Farao aan het voeteneind, herinnerde Melissa zich de papieren in de woonkamer.
“Zeg, Peter,” vroeg ze, terwijl ze hem wakker zoende, “Ben jij een boek aan het schrijven? Ik kon er niets aan doen, ik vond toevallig allemaal vellen aantekeningen gisteren.” Peter kreunde. Intussen waren ze verder gegaan met vrijen. Pas een kwartier later gaf Peter antwoord.
“Het boek. Dat is waar ook. Dat heb ik je ook in die brieven geschreven. Maar je weet dus nog van niets.”
“Nee. Je maakt me nieuwsgierig. Vertel op.”
“Eerst koffie.”
Ze vloog het bed uit en zette snel koffie. Peter stond op en kwam achter haar aan.
“Ik moet je eerst even iets vertellen. Ik kende de schrijver van de Nikita Romanova reeks…”
Melissa liet zowat de koffiekan uit haar handen vallen.
“Het is niet waar… Hoe lang al?”
“Mijn hele leven. Het was namelijk mijn moeder.”
Melissa plofte neer aan de eettafel.
“Jou moeder? Nikita Romanova?”
“Het is een heel verhaal. Mijn moeder kreeg een dochter, Nikita geheten. Die was echter zwaar gehandicapt en is toen ze vier was gestorven. Een week voor mijn geboorte. Om niet gek te worden van verdriet, is mijn moeder begonnen met het schrijven van kleine verhaaltjes over Nikita. En later werden dat dus avonturenverhalen. De Nikita Romanova serie.”
“Alle mensen. Je zusje… Je moeder… Mijn lievelingsschrijfster! Waarom heb je me dat nooit gezegd? Je wist toch hoeveel ik van die boeken hou?”
“Ze wilde dat het een geheim bleef. Maar ik had het je heus wel verteld. Ooit.”
Hij zoende haar.
“En na de begrafenis vond ik dus die aantekeningen. Voor een nieuw Nikita Romanova verhaal. Ook jouw brief uit Cairo zat ertussen. Ze wilde dit keer ons avontuur in Egypte gebruiken.”
Melissa kon het allemaal nog niet goed geloven.
“En nu?” vroeg ze.
“En nu probeer ik haar werk af te maken. Maar dat valt nog niet mee. Schrijven is toch een vak apart.”
“Wat? Ga jij verder met die serie?”
“Alleen dit verhaal maar. Het allerlaatste Nikita verhaal. Ik heb nog steeds geen titel. “De vergeten Farao”? “De verdwenen Farao”? “De vrouw met het zonnehaar”.”
“Alsjeblieft niet “De vrouw met het zonnehaar”, zei Melissa lachend, “Ik zou je er graag bij willen helpen, maar je hebt gelijk, schrijven is een vak apart. Wacht eens, misschien kan Mia wat doen. Die doet altijd mee met van die verhalenwedstrijden.”
“Nee, laten we het samen proberen. Dan blijft het geheim van Nikita Romanova bestaan. Maar ik vind het een goed idee om Mia uit te nodigen voor een paar dagen Terschelling. Met haar familie. En professor Lutjes. We stoppen ze allemaal in de “Zeemeeuw”.”
“Ik zal ze zo allemaal bellen. Ze zullen niet weten wat ze horen. Dat wij hier samen zijn. Kom mee, dan gaan we zo de hond uitlaten op het strand.”

Ze liepen met de armen om elkaar heen langs de glinsterende golven. Het waaide hard en op een gegeven moment vloog de hoed van Peters hoofd. Melissa wilde er achteraan rennen, net als Farao, maar Peter hield haar lachend vast.
“Laat alsjeblieft waaien dat ding. Ik draag nooit meer een hoed!” De hoed rolde snel over het strand, tot hij verdween in de golven. Farao had het nakijken en kwam met de staart tussen de poten bij hen terug. Melissa gooide een stok weg en Farao rende er meteen achteraan, de hoed allang weer vergetend.
“Dus dit is het einde van de Nikita reeks?” zei Melissa nadat ze een paar uur hadden gewandeld en moe op een duintop zaten uit te rusten.
“Jazeker. “De verloren Farao, vergeten Farao” of hoe het ook gaat heten, is zeker de allerlaatste.”
“Ik vind het zo’n valse alliteratie, “De vergeten Farao”, mompelde Melissa.
“Je vindt het wát? Hoe moet de titel dan volgens jou luiden?” vroeg Peter. Melissa lachte. Ze keek om zich heen en maakte een wijds gebaar.
“Zand. Gewoon: “Zand”.” Peter schudde afkeurend zijn hoofd.
“Ik vind het niks. Ik wil “De vergeten Farao”.”
“En je wil ons avontuur daar echt in beschrijven?” Peter dacht even na. Toen schudde hij zijn hoofd, net als Melissa.
“Te onwaarschijnlijk”, zeiden ze tegelijkertijd.
“Maar laten we er wel een happy ending van maken”, zei Melissa toen ze uit het zand opstonden en naar de zee liepen, “Ik vind dat Nikita nu ook wel eens de grote liefde van haar leven mag ontmoeten.”
“Goed”, zei Peter, “Een happy ending ditmaal. Net als voor ons.” En terwijl de meeuwen krijsend boven hen scheerden, en zij zich zelf in de wind staande probeerden te houden met de armen om elkaar heen, stevig, alsof ze elkaar nooit meer los zouden laten, nam hij de stok van Farao af en schreef er mee in het zand:

EINDE

Terschelling 1996.


By on 10:53